POEMS IN THE ORIGINAL LANGUAGE.
THE HOLY MARTYRS OF THE NEW COVENANT.
To all charitably inclined Anabaptists and non-resistant Christians:
Rechtsinnige! die Christum hebt beleden
Te volgen in een ware ootmoedigheydt;
En die ter noodt den kruys-bergh wilt betreden,
Die vol en dicht van scherpe doornen leydt;
Vertoeft, en siet nu, in dees jammer-blaren,
Wat ach, een wee, een weerloos Christen naeckt,
Wanneer sijn ziel met Christo soeckt te paren,
En, door’t geloof, na’t eeuwigh leven haeckt.
Al siet gy u geloofs-genooten swerven,
Om Christi naem, met kommer, angst en pijn,
Verlaten van haer huysgesin, en erven,
En dolen, in een woest landt, en woestijn,
En waer sy zijn, als vluchtelingen, woonen:
Dewijl men haer een vast verblijf ontseydt,
En vyer, en swaerdt, en galgh, en radt gaet toonen,
Met grimmigheydt tot hare doodt bereydt;
Laet daerom niet u vyer’ge liefd’ verkoelen,
Al waeyt den Noorden windt,[73] van kruys en smaedt,
Maer scherper wilt na’t faligh leven doelen,
En op gebeen u ziel tot Godt verlaet:
Want als de rose en lelye[74] in de doornen
Opwassen, en alsoo omcingelt staen;
Soo Christi Kerck, en lieve uytverkoornen,
Met druck en angst, oock somtijdls zijn belaen.
Maer of al schoon, ’t welck wonder schijnt, een moeder
Het eenigh kindt, van haer gebaerdt, vergat;
So blijft nochtans de Heer ons ziel-behoeder
In eeuwigheydt, ons kroone, eer en schat.
De waerdigheydt van alles dat magh blijcken,
En’t beste dat een mensch op aerden heeft;
Sachtmoedige! is geensins te gelijcken
By d’heerlijckheydt[75] van die hier deughtsaem leeft.
Self Godes Soon, sijns Vaders wel-behagen,
Die al’t geschep in eygendom geniet;
Heeft, in veel smaedt, een doorne kroon gedragen,
En van sijn volck onlijdelijck verdriet.
Die heeft u voor-gegaen, en veel geleden,
Ja aen het kruys de seer vervloeckte doodt,
Wilt hem dan op den Martel-wegh na treden,
En achten niet het lijden, druck, en noodt.
Want als gy hebt des werelts smaedt, en schanden,
En sonden-drift, verwonnen heldelijck;
Dan sult gy in het saligh leven landen,
En wesen by Godts Helden meldelijck:[76]
Wanneer haer Godt, met sael’ge glory-meyen,
En eeuw’ge vreught, en rijckdom, eer, en prael,
Sal in’t Palleys der Heem’len binnen leyen,
En wesen self haer loon, en bly onthael:
Om dat sy t’saem de werelt niet en achten,
En haer geloof bezegelden met bloedt:
Een grondt, en steun, daer op gy meught verwachten
Het Koningrijck vol eeuwigh blijvend goedt.
Daerom, o Heer! leert ons ons doen besinnen,
Door middel van het Nieuw’ Verbondt, u Woordt;
Dat wy u doch lot aen de doodt beminnen,
En’s werelts korte vreught ons niet bekoordt;
Want eeuwigh is soo lang! ja is onendigh!
En valt te bang, voor die gy uyt den Throon
Van u genade stoot. Versterckt inwendigh
Het Christ-geloof, en zijt ons Schildt, en Loon,
Behoedt oock voor ziel-schadelijcke tijden
D’Hooghmogende van’t Vrye Nederlandt;
Die’t Helsch geblaeck en weerloos Christen lijden
Nie’t dulden, reyckt altijdt u vrede-handt:
Op dat wy doch, als ware Christen rancken,
Hier onder haer Gebiedt, seer vryelijck,
U met veel vrucht, en vollen wasdom dancken,
Tot glory van u Hemelsch Koningrijck.
Non est mortale quod opto.
SONNET.
Wanneer Ierusalem, door’s vyandts swaert en degen,
Seer deerlijck was verwoest; en’t ed’le Iacobs zaet
(’t Welck, als doorloutert gout, uytblonck met veel cieraet)
Gewentelt lagh in’t bloedt, en deerelijck verslegen;
Stracks Ieremias sulcks neemt in sijn overwegen.[77]
Dat soo de slaende bandt des vyandts henen gaet:
Hy treurt, dat selfs den rouw hem in’t gebeente slaet:
En is in asch, en stof, al weenende, gelegen.
Vreed-lievende! die oock ket moort-gewelt aensiet,
Dat in den Wijnbergh Gods, van oudts af, is geschiet;
Wie smeeckt de Heere niet, met t’saem-gevouwe handen:
O Heer! die donck’re wolck van’t Christendom af drijft;
So niet: ons Christ-geloof dan in de hope stijft,
Dat’t hert ons niet vertsaeght in’t worgen, moorden, branden.
Iustus ex fide vivet.
ON THE BLOODY THEATRE OF THE ANABAPTISTS OR NON-RESISTANT CHRISTIANS.
To my brother T. J. van Braght:
Een Hemelsvyer, van lust en yver, holp de snaren
Van David aen den galm, van een bedroeft accoort:
Wanneer den angst des doodts, uyt Zion, wiert gehoort,
Dat hy sijn’s herten rouw, in Psalmen ging verklaren.[78]
Soo sagh ick ’t yver-vyer, o Broeder! uyt u varen,
Als gy de Martelaers van ’t Nieuw Verbondt bracht voort:
Self, op die tijdt, wanneer door[79] sieckt’, het klaeghlijck woort
Tot u quam: ’t Schijnt ghy sterft, wilt moeyt’ en yver sparen.
Maer hebt, des niettemin, dit bloedigh offer-werck,
Met krancke, en swacke leen, ten dienste van Gods Kerck,
Door onvermoeyde vlijt, en yver, dus beschreven.
Derhalven, wie gy zijt, die Christum onsen Heer
Wilt volgen, in sijn woort, en Goddelijcke leer;
Wort door dit lesen doch tot ware deught gedreven.
P. van Braght.