MOTS ET EXPRESSIONS.

L’enfant qui ne veut pas trop chercher,

Ne doit seulement rien oublier.

[I].

Méchant,ondeugend.
gourmand,gulzig of snoepachtig.
gentille,lief.

[II].

Se fâche,wordt boos.
est monté,is geklommen.
le sucrier,de suikerpot.
le sucre,de suiker.
maman regarde Paul,mama kijkt naar Paul.
il faut le gronder,u moet hem beknorren.
il faut,letterlijk: het moet.
se lève,staat op.
s’approche du,gaat naar den (lett.: nadert den).
encore une fois,nog eens.
une tape,een tik.

[III].

Voilà ce que c’est,dat komt ervan.
s’est fâché,is boos geworden.
est tombé par terre,is gevallen op den grond.
il s’est cassé le bras,hij heeft zijn arm gebroken.
veux-tu,wil je.
s’il te plaît,alsjeblieft.
aller chez le docteur,naar den dokter gaan (denk er aan: men zegt altijd chez bij personen, en à bij plaatsen, b.v. aller à la maison).
il a bien mal,hij heeft erge pijn.
je vais tout de suite chercher,ik ga dadelijk halen.
Alors, il ouvre la porte,hij opent (doet open) nu de deur.
le corridor,de gang.

[IV].

Couche,legt in bed.
le petit blessé,de kleine gewonde.
est sorti de la chambre,is uit de kamer gegaan.
il est allé chercher,hij is gaan halen.
elle le borde bien,zij stopt hem lekker in.
bien mal,zoo’n pijn.
maintenant,nu.
allons!kom!
il viendra tout à l’heure,hij komt (zal komen) straks.
il te guérira,hij zal je genezen.
sois sage,wees zoet.

[V].

Que je suis contente,wat ben ik blij.
tant il a mal,zoo’n pijn heeft hij.
comment est arrivé cet accident?hoe is dat ongeluk gebeurd?
entier,heel.
ils vivent tous les deux,zij leven allebei.
remettre,zetten; weer aan maken.
ça ira bien,dat zal wel gaan.

[VI].

Elle sort Paul,zij neemt Paul (letterlijk: gaat uit of haalt uit).
elle l’embrasse,zij kust hem (letterlijk: omhelst hem).
puis elle le passe,daarna geeft ze hem (letterlijk: geeft door).
bien vite,heel gauw.
c’est ça,mooi zoo of dat is goed.
en portant,terwijl hij draagt (lett.: dragende).
en tenant,terwijl hij houdt (lett.: houdende).
au revoir,tot ziens.
à bientôt,tot straks.
merci,dank u.

[VII].

Jean va à la cuisine,Jan gaat naar de keuken (zie opm. bij [III]).
il a mis le chapeau,hij heeft den hoed opgezet.
est en train de peler des pommes,is aan ’t appelen schillen.
est en train de,is bezig met.
tiens,zoo of kijk.
vient chercher,komt halen.
peut-être,misschien.
un bout de ficelle,een eindje touw of een touwtje.
un bout,een eind, een stuk.
pourquoi faire,waarom (letterlijk: om wat te doen).
bien difficile,zeer moeilijk.
le tiroir,de lade.
merci beaucoup,dank je wel.
et voilà aussi,en daar heb je ook (lett. ziedaar).
met dans sa poche,steekt in zijn zak.
l’attache,bindt het, maakt het vast.
autour du poignet,om den pols.
autour de,om, rond om.
est attaché,is vastgebonden, vastgehecht.
retournent chez la maman,gaan naar mama terug.
bien des choses à Madame,vele groeten aan Mevrouw.

[VIII].

Comment?hoe?
rentre,komt (terug) weer.
tout à fait,heelemaal.
quel bonheur,hoe heerlijk (letterlijk: welk een geluk).
Marie devient toute triste,Marie wordt heel treurig.
le bras est retourné,de arm zit omgekeerd, onderst boven.
tient à l’épaule,zit (letterlijk: houdt) aan den schouder.
se servir de sa main,zijn hand gebruiken (lett.: zich bedienen van).
ça ne fait rien,dat hindert niet (letterlijk: dat doet niets).
Paul ne pourra plus mettre,Paul kan (zal kunnen) niet meer steken.
c’est vrai,dat is waar.
fera-t-il pour travailler,zal hij moeten werken (letterlijk: zal hij doen, om te).
plus tard,later.
le chanteur,de zanger.
il n’a pas besoin de son bras,hij heeft zijn arm niet noodig.

[IX].

Jean va partir,Jan vertrekt (letterlijk: gaat vertrekken).
la porte s’ouvre,de deur gaat open (letterlijk: opent zich).
l’aîné,de oudste.
il s’appelle,hij heet (lett.: noemt zich).
en entrant dans la chambre,als hij de kamer binnenkomt (lett.: binnenkomende).
à quoi jouez-vous?wat speel jullie? (jouer à bij een spel; jouer de bij een muziekinstrument).
nous jouons au docteur,wij spelen doktertje.
ajoute,voegt er aan toe.
il a remis,hij heeft gezet.
s’écrie,roept uit.
ils se mettent à rire,zij beginnen te lachen.
en voyant,als ze zien (lett.: ziende).
il va nous chanter,hij zal (letterlijk: gaat) voor ons zingen.
appuyé à,geleund tegen.
le dossier,de leuning.
que savez-vous chanter,wat kun je zingen? (letterlijk: weet).
il ne répond toujours pas,hij antwoord nog altijd niet.
il se met à chanter,hij begint te zingen.
Marie croit,Marie denkt, meent (letterlijk: gelooft).
vraiment,waarlijk.
que c’est son petit garçon qui chante, dat haar kleine jongen zingt (lett.: dat het is haar kleine jongen, die zingt).

[X].

Ainsi que,evenals.
elle en est très contente,zij is er heel blij mee (letterlijk: zeer tevreden over).
pourtant,toch.
le second couplet,het tweede versje.
car,want.
elle connaît,zij kent.
qu’est-ce que Paul chante?wat zingt Paul?
écoutez ces quatre petites voix,luister naar deze vier stemmetjes.
vous le saurez,ge zult het weten.
cocorico,kukeluku.
à voix pleine,luidkeels.
vont chantant,zingen (lett.: gaan zingende).
en picotant,terwijl ze oppikken (letterlijk: oppikkende).
en buvant,terwijl ze drinken (letterlijk: drinkende).
le soleil luit,de zon schijnt.
s’il va pleuvoir,als het gaat regenen.
la plaine,de vlakte.

[XI].

Vrai,echt (letterlijk: waar).
la chambre d’à côté,de kamer ernaast.
sont assis,zitten (lett.: zijn gezeten).
ils prennent une tasse de thé,zij drinken een kopje thee (letterlijk: nemen).
Maman pose son porteplume,Mama legt haar penhouder neer.
un petit-four,een koekje.
j’ai mal aux dents,ik heb tand- of kiespijn.
elle verse,zij schenkt in (lett.: zij giet).
en fumant,terwijl hij rookt (letterlijk: rookende).
comme les enfants font du bruit,wat maken de kinderen een leven.
qu’est-ce qu’il y a?wat is er?
chez eux,bij hen.
ils jouent à l’école,zij spelen schooltje.
si fort,zoo hard (sterk).
allons voir un peu,laat ons eens kijken (lett.: een beetje).
ils se lèvent,zij staan op.
pour aller voir les enfants,om naar de kinderen (te gaan) kijken.
ils s’arrêtent,zij blijven staan.
ils écoutent,zij luisteren.
ils entendent,zij hooren.
le chant est si gai,het liedje is zoo vroolijk.
doucement,zachtjes.
ils s’arrêtent de,zij houden op met.
ils ne disent plus rien,zij zeggen niets meer.

[XII].

Avoir besoin de,behoeven (lett.: noodig hebben).
qu’est-ce qu’il y a donc,wat is er toch?
ils éclatent de rire,zij barsten in lachen uit.
eh bien!wel!
qui est-ce,wie is dat?
il faut que Paul chante,Paul moet zingen.
je n’y comprends rien,ik begrijp er niets van.
en voilà un beau docteur,dat is ook een mooie dokter.
la ficelle glissait tout le temps,het touwtje gleed telkens (aldoor) uit (lett.: den heelen tijd).
j’ai mis la ficelle,ik heb het touwtje gebonden (letterlijk: heb gelegd).
un drôle de docteur,een gekke dokter.
arracher une dent,een kies (of tand) uittrekken.
au lieu de,in plaats van.
ça ne fait rien,dat hindert niets.

[XIII].

Toute seule,heelemaal alleen.
deux semaines après,veertien dagen (twee weken) later.
Marie en était très triste,Marie was er zeer treurig om.
Jean savait si bien,Jan kon zoo goed.
voilà qu’il était parti,en nu was hij weg (letterlijk: vertrokken).
était assis,zat (lett.: was gezeten).
Marie le sortit de sa chaise,Marie nam hem uit zijn stoel.
elle le prit par la main,zij nam hem bij de hand.
se promener,wandelen.
sage,zoet (letterlijk: wijs).
elle va conduire Paul à l’école,zij gaat brengen (lett.: geleiden), hier, zij brengt.
il faut qu’il apprenne à,hij moet leeren.
calculer,rekenen.
elle sonne au bouton de la porte,zij schelt aan den deurkruk.
je viens conduire,ik kom brengen.
mais d’un ton plus bas,maar op een lager toon.
le voici,hier is hij.
il faut qu’il devienne,hij moet worden.
je m’en vais,ik ga heen.
elle pose Paul par terre,zij zet Paul op den grond.
un coin,een hoek.
elle s’en va,zij gaat heen.

[XIV].

Jour de classe,schooldag.
aujourd’hui,vandaag.
suspendu,opgehangen.
le capuchon,de cape (mantel).
le béret,de muts.
le portemanteau,de kapstok.
d’autres nouveaux,andere nieuwelingen.
il y en a,er zijn er.
tous ont l’air timides,allen zien er verlegen uit.
quel âge avez-vous,hoe oud ben je? (lett.: welken leeftijd hebt ge?)
en regardant,terwijl hij aankijkt (letterlijk: aankijkende).
j’ai six ans,ik ben (lett.: ik heb) zes jaar.
comment vous appelez-vous,hoe heet je?
vous savez faire de la musique,je kunt muziek maken.
sans doute,zeker, stellig (letterlijk: zonder twijfel).
mais oui,welzeker.
jouer de la harpe,op de harp spelen.
très joliment,heel mooi.
une jolie chanson,een mooi liedje.
sa petite voix tremblait,zijn stemmetje beefde.
pourtant,toch (evenwel).
écoutez seulement,luister maar.
il leva le doigt,hij stak den vinger op.
commencez,begin.
il récita,hij zei op.
c’est tout,is dat alles? (lett.: dat is alles?)
cette belle poésie,dat mooie versje.
une poésie sur Pierre,een versje over Pieter.
s’amusait,had pret (letterlijk: vermaakte zich).
en rentrant,toen hij thuis kwam (letterlijk: thuis komende).
tant il s’était amusé,zooveel pret had hij gehad.
je te la réciterai,ik zal het voor u opzeggen.

[XV].

Qu’est-ce que,wat.
promis,beloofd.
très bête,zeer of erg dom.
quelque chose,iets.
travaillé en classe,gewerkt in de school.
Paul se taisait,Paul zweeg.
toujours,aldoor (letterlijk: altijd).
elle allait le prendre,zij wilde (letterlijk: ging) hem pakken.
par le bras,bij den arm.
secouer,schudden.
elle se rappela,zij herinnerde zich.
qu’il n’avait qu’un bon bras,dat hij maar één goeden arm had.
le gronda,beknorde hem.
seulement,alleen maar.
heureusement,gelukkig.
la porte s’ouvrit,de deur ging open (lett.: opende zich).
ton petit Paul à toi,jouw kleine Paul.
je veux bien,graag (lett.: ik wil wel).
de toutes leurs oreilles,met beide ooren (lett.: met al hun ooren).
Louis déclama,Louis zei op.
a doré,heeft verguld.
s’éveille,wordt wakker.
joyeux,vroolijk.
il quitte,hij verlaat.
sans peine,zonder moeite.
son oreiller,zijn kussen (van oreille = oor; een canapé-kussen = un coussin).
soyeux,zacht (lett.: zijdeachtig; soie = zijde).
au plus vite,heel vlug (zoo gauw mogelijk).
il fait sa toilette,hij wascht en kleedt zich.
le teint vermeil,de roode gelaatskleur.
surtout,vooral.
de sa peau bien nette,van zijn zindelijke (reine) huid.
les jeux,de spelen.
au grand soleil,in de volle zon.
parfois,somtijds.
amère,bitter.
le savoir,het weten.

[XVI].

Quelques jours après,eenige dagen later.
il savait,hij kende (lett.: wist).
il savait la réciter,hij kon het opzeggen.
bien content,heel blij.
la lumière,het licht.
déjà luit,schijnt al.
hors du lit,het bed uit.
claironne,kraait.
résonne,weerklinkt.
réveillez-vous,wordt wakker.
le second couplet,het tweede versje.
c’est ça,dat is goed.
poursuivit,ging voort.
lève-toi,sta op.
notre chèvre,onze geit.
bêle,blaat.
t’appelle,roept je.
sans attendre,zonder te wachten op.
la réponse,het antwoord.
le petit air,het wijsje.
suivant,volgende.

[XVII].

Quel vent désagréable!Wat ’n nare wind!
quel vilain temps,wat een leelijk weer.
il pleuvait,het regende.
il faisait du vent,het woei.
un vrai temps de novembre,echt Novemberweer.
chassait,joeg.
la figure,het gelaat.
Jean devait aller en classe,Jan moest naar school (gaan).
naturellement,natuurlijk.
il ne voulait pas,hij wilde niet.
ensemble,samen.
Jean a trop peur,Jan is veel te bang.
quelque chose de nouveau,iets nieuws.
il serait en retard,hij zou ten achter komen.
comme dans la poésie,als in het liedje.
il irait,hij zou gaan.
le conduirait,zou hem brengen.
Jean boutonna,Jan knoopte dicht.
il tira,hij trok.
par dessus ses oreilles,over zijn ooren.
les voilà partis,daar gingen ze weg.
bras dessus, bras dessous,gearmd (letterlijk: arm boven, arm onder).
tant qu’ils étaient,zoolang zij waren.
entre,tusschen.
donc,dus.
commode,gemakkelijk.
poussait,voortduwde.
le plaisir était fini,de pret was uit (letterlijk: geëindigd).
souffla,blies.
d’un autre côté,van een anderen kant.
comme si,alsof.
à la fois,te gelijk.
elle résolut de le fermer,zij besloot hem dicht te doen.
trop tard,te laat.
le voilà retourné,hij was omgekeerd.
mouillait,maakte nat.
tout à fait,heelemaal.
presque,bijna.
arracher des mains,rukken uit de handen.
il essayait,hij probeerde.
rabattre,neerslaan.
en vain,vergeefs.
un sergent de ville,een (politie) agent.
il tint,hij (hield) pakte.
de l’autre côté,aan den anderen kant.
de sorte que,zoodat.
le vent lui-même,de wind zelf.
les baleines et l’étoffe,de baleinen en de stof.
il rabattit,hij sloeg neer.
mais lui il ajouta,maar hij (met nadruk) voegde erbij.

[XVIII].

Délicieux,heerlijk, lekker.
bientôt,gauw, spoedig.
Rose retourna,Rosa keerde terug.
il ne pleuvait plus,het regende niet meer.
tranquille,kalm, rustig.
le vent ne pouvait pas y entrer,de wind kon er niet binnenkomen.
chaque fois,telkens (lett.: elken keer).
essayait d’entrer,probeerde binnen te komen.
il soulevait,hij lichtte op.
les manteaux suspendus dans le vestibule,de mantels, die in de vestibule hingen.
suspendu,(letterlijk: opgehangen).
il retournait,hij sloeg om.
les feuilles des livres,de bladen der boeken.
on lui fermait vite la porte au nez,men deed gauw de deur voor zijn neus dicht.
rester dehors,buiten blijven.
chasser,jagen.
taquiner,plagen.
autant que,zooveel als.
c’est ce qu’il faisait,dat deed hij.
par dessus les toits,over de daken.
il les attrapait,hij pakte ze.
la cime,de top.
penchait à droite et à gauche,boog naar rechts en links.
les branches craquaient,de takken kraakten.
les feuilles mortes,de dorre (letterlijk: doode) bladeren.
s’envolaient,vlogen.
partout,overal heen.
elles ne savaient pas où aller,zij wisten niet, waar ze heen zouden gaan (letterlijk: waar te gaan).
frayeur,angst.
pour les attraper au vol,om ze in de vlucht te vangen.

[XIX].

Les saisons,de jaargetijden.
s’amusaient beaucoup,hadden veel pret.
bien des feuilles,heel veel blàren.
ils montraient,zij lieten zien.
nous sommes en automne,we zijn in den herfst.
c’est ce que les enfants savaient,dat wisten de kinderen.
mettez-vous sur le petit banc,ga op het bankje staan.
monta,klom.
le printemps,de lente (het voorjaar).
l’été,de zomer.
l’automne,de herfst.
l’hiver,de winter.
pas non plus,ook niet.
en été,in den zomer.
il faisait chaud,het was warm.
en hiver,in den winter.
il faisait froid,het was koud.
au printemps,in het voorjaar.
elles tombaient,zij vielen af.
quelle saison aimez-vous le mieux,van welk jaargetijde houd je het meest?
il poursuivit,hij vervolgde.
vous trouvez ça amusant vous,jij vindt dat prettig! (jij met klem).
se dit,dacht (lett.: zei) bij zichzelf.
il avait bien raison,hij had wel gelijk.

[XX].

A la fenêtre,voor het raam.
elle aussi,haar ook.
s’envolaient,vlogen weg.
parfois même,soms zelfs.
ce cycliste,die fietser.
il pédalait,hij trapte (fietste).
avancer,vooruit komen.
là bas,daar gindsch.
mince,dun.
elle avait l’air d’avoir froid,zij leek het koud te hebben.
elle avait l’air,letterlijk: zij had het uiterlijk.
se chauffer,zich warmen.
appelle-la donc,roep haar maar.
elle frappa à la vitre,zij tikte tegen de ruit.
frappe un peu plus fort,tik wat harder.
enfin,eindelijk.
Marie lui fit signe des deux mains,Marie wenkte haar met beide handen.
la fillette,het meisje.
la poitrine,de borst.
cela voulait dire,dat wilde zeggen.
c’est moi que vous appelez,roep je mij? (ik ben het die)
elle s’approcha enfin de la fenêtre,zij kwam eindelijk bij het raam.
d’ouvrir la porte,de deur te openen.
la chambre bien chauffée,de goed verwarmde kamer.
demanda,vroeg.
comment va ta mère,hoe maakt je moeder het? (hoe gaat het met je moeder?)
va-t-elle mieux,gaat het beter met haar?
étonnée,verwonderd.
connaissait,kende.
ce n’était pas étonnant,dat was geen wonder.
étonnant,letterlijk: verwonderend.
arranger,in orde brengen.

[XXI].

Voilà plus d’un an que la mère était malade,de moeder was nu al meer dan een jaar ziek.
elle était couchée,zij lag te bed.
elle se levait pendant une heure,stond ze een uurtje op (letterlijk: gedurende of voor een uur).
elle cousait,zij naaide.
c’était tout,dat was alles.
voilà pourquoi,dat was de reden waarom.
faire le ménage,de huishouding doen.
aider,helpen.
elle n’avait que huit ans,zij was maar acht jaar.
elle avait été voir,zij had bezocht (letterlijk: zij was geweest te zien).
apporter,brengen.
des fortifiants,versterkende middelen.
je dois aller à l’école,ik moet naar school.
les classes commencent,de school (letterlijk: de klassen) begint.
Jean est déjà parti,Jan is al weg (letterlijk: vertrokken).
j’ai dû retourner chez nous,ik moest terug (letterlijk: ik heb moeten terugkeeren) naar huis.
pour en mettre une autre,om een andere aan te trekken.
c’était dommage,dat was jammer.
et voilà que Ninette,en nu moest N.
il faisait si froid,het was zoo koud.
elle rougit,zij kreeg een kleur (letterlijk: zij kleurde).
dis au revoir,zeg goedendag (letterlijk: tot weerziens).
ta nouvelle petite amie,je nieuw vriendinnetje.
qui avait bu,die opgedronken had.
partit à l’école,ging (letterlijk: vertrok) naar school.
tu reviendras,je zult terugkomen of je komt terug.
n’est-ce pas,is ’t niet?

[XXII].

Marie l’avait vue partir,Marie had haar zien vertrekken.
elle avait bien entendu parler,zij had wel hooren spreken.
ce que c’était,wat dit was.
il y avait,er (was) waren.
qui faisait les lits,wie maakte de bedden op?
qui faisait la cuisine,wie kookte?
c’était trop drôle,dat was te gek.
quand on a besoin d’un manteau,als men een mantel noodig heeft.
une boutique,een winkel.
pour en acheter un,om er een te koopen.
apporter,brengen.
une boîte,een doos.
on les essaye,men past ze aan.
papa paye,papa betaalt.
on achète,men koopt.
chérie,lieveling.
pourquoi? ou: pourquoi pas?waarom niet?
parce que,omdat.
cela coûte-t-il cher,kost dat veel? (letterlijk: duur).
c’est ça,goed zoo.
pour causer avec Rose du dîner,om met Rosa te praten over het middagmaal.

[XXIII].

De nouveau,opnieuw.
la croisée,de vensterbank.
regarder par la fenêtre,kijken door het venster.
quels tours jouait le vent,welke kunsten (poetsen) de wind uithaalde (letterlijk: speelde).
une voiture à bras,een handkar.
tirer,trekken.
le vent enlève la casquette,de wind neemt de pet af.
emporter,meenemen.
bien loin,heel ver.
au milieu,in het midden.
il court à toutes jambes,hij loopt, zoo hard hij kan.
pour attraper,om te pakken.
il se baisse,hij bukt (zich).
pour la ramasser,om ze op te rapen.
presser,drukken.
attendre,wachten.
un moineau,een musch.
qui s’abattent dans la rue,die neerstrijken op straat.
des miettes,kruimels.
le vent les pousse,de wind duwt ze weg.
presque,bijna.
se tenir,zich staande houden, staan blijven (letterlijk: zich houden).
leurs petites pattes,haar pootjes.
ils voient,zij zien.
une graine,een korreltje.
ils doivent souvent courir après,zij moeten het vaak naloopen.
justement,juist.
il a attaché,hij heeft vastgemaakt.
reprendre,weer nemen.
continuer son chemin,zijn weg vervolgen.
une vieille,een oude vrouw.
avancer,vooruitkomen.
elle marche tout près des maisons,zij loopt heel dicht bij de huizen.
souffler,blazen.
s’arrêter,staan blijven.
ses jupes sont tendues contre ses jambes,haar rokken zijn gespannen tegen haar beenen.
pauvre vieille,arm oudje.
comme ça Marie voit,zoo ziet Marie.

[XXIV].

Voler,vliegen.
veux-tu sortir avec moi,wil je met me uitgaan?
aller prendre à l’école,gaan halen uit school.
petite Mère,Moesje.
pas du tout,heelemaal niet.
chaudement habillées,warm gekleed.
d’abord,eerst.
un magasin de nouveautés,een modemagazijn (winkel).
le marchand en montre plusieurs,de koopman laat er verscheidene zien.
choisir,kiezen.
il fait si froid,het is zoo koud.
elles entendent une cloche,zij hooren een bel.
deux à deux,twee aan twee.
bien en rang,net in de rij.
celui-ci,deze.
jusqu’à la porte,tot aan de deur.
il court vers sa mère,hij loopt naar zijn moeder.
et les voilà partis tous les trois,en nu gaan ze alle drie weg.
au coin de la rue,op den hoek van de straat.
le vent essaya encore une fois,de wind probeerde nog eens.
Jean le tenait,Jan hield hem vast.
ils ont les joues bien rouges,zij hebben heel roode wangen.

[XXV].

Il nous faut travailler tous,wij moeten allen werken (lett.: het moet, dat....).
comme j’ai faim,wat heb ik een honger!
en rentrant de l’école,toen hij thuis kwam van school.
une bonne maladie,een goedaardige ziekte.
le dîner te guérira,het middagmaal zal je genezen.
il mangea comme quatre,hij at voor vier.
la faim disparut,de honger verdween.
maman préparait le thé,mama zette thee (letterlijk: bereidde).
il s’était endormi,hij was ingeslapen.
ils faisaient beaucoup de bruit,zij maakten veel lawaai.
ils jouaient au vent,zij speelden, dat het woei.
qui, d’un bras, poussait,die, met een arm, duwde.
il l’avait lancée,hij had ze (geworpen) geslingerd.
vous faites trop de bruit,jullie maakt te veel lawaai.
papa ne peut pas se reposer,papa kan niet uitrusten.
pendant un moment,voor een oogenblik.
tranquille,rustig.
le bruit recommença,het leven begon opnieuw.
il faisait tant de vent,het woei zoo erg!
doucement,zachtjes.
papa se réveillera,papa zal wakker worden.
il ne se sera pas bien reposé,zal hij niet goed gerust hebben.
ils s’amusaient si bien,zij hadden zoo’n pret.
nous dormons la nuit,wij slapen ’s nachts.
fatigué,vermoeid of moe.
pour gagner de l’argent,om geld te verdienen.
ce manger,dit eten.
il faut de l’argent,men moet geld hebben.
allons,kom.
je vous apprendrai,ik zal je leeren.
une poésie sur cinq petits bonshommes,een versje van vijf mannetjes.
je n’en ai guère,ik heb bijna niets.
comment faire?wat te doen?
savez-vous,weet je.

[XXVI].

Les cinq doigts de la main,de vijf vingers van de hand.
c’est le pouce,dat is de duim.
l’index,de wijsvinger.
qui remarque tristement,die treurig opmerkt.
le majeur ou doigt du milieu,de middelvinger (majeur, vroeger: groot; nu: meerderjarig).
l’annulaire,de ringvinger.
le petit doigt ou auriculaire,de kleine vinger of pink.
c’est tout juste comme dans le Petit Poucet,dat is net zoo als in Klein Duimpje.
ils demandèrent,zij vroegen.
raconte-nous l’histoire,vertel ons het verhaal.
ils désiraient beaucoup,zij wilden graag.
un bûcheron,een houthakker.
demeurer,wonen.
le bois,het bosch.
sa femme, la bûcheronne,zijn vrouw, de houthakster.
le cadet,de jongste.
il s’appelait,hij heette.
nourrir,voeden, eten geven.
toutes ces petites bouches,al deze (kleine monden) mondjes.
il gagnait,hij verdiende.
il n’avait plus rien à leur donner à manger,hij had niets meer om hun te eten te geven.
je vais aller perdre les enfants dans le bois,ik zal maken, dat ik de kinderen kwijt raak in het bosch (letterlijk: ik ga gaan verliezen).
j’aime mieux,ik heb liever.
ils meurent de faim,zij sterven van honger.
elle consentit enfin à ce que son mari voulait,zij stemde eindelijk toe, in wat haar man wilde.

[XXVII].

Suite,vervolg.
le lendemain,den volgenden dag.
partit,vertrok.
qui s’était caché,die zich verborgen had.
derrière la porte,achter de deur.
le soir,des avonds (letterlijk: de avond).
il avait emporté des cailloux blancs,hij had blanke (witte) keisteentjes meegenomen.
jeter,werpen.
la route,de weg.
quand le père fut parti,toen de vader weg was.
et que les six frères pleuraient,en toen de zes broertjes schreiden.
suivez-moi,volgt mij.
retrouver,terugvinden.
en suivant,door te volgen.
rester,blijven.
quelque temps,eenigen tijd.
le père avait reçu,de vader had gekregen (lett.: ontvangen).
quand il n’eut plus d’argent,toen hij geen geld meer had.
il résolut,hij besloot.
il emporta du pain,hij nam brood mee.
les laissant seuls,en liet hen alleen (letterlijk: hen alleen latende).
les enfants voulurent rentrer,de kinderen wilden naar huis terugkeeren.
il n’y avait plus de miettes,er waren geen kruimels meer.
les voilà tout seuls,nu waren ze heelemaal alleen.
grimper,klimmen.
une lumière,een licht.
il descendit de l’arbre,hij klom naar beneden (lett.: hij daalde af van den boom).
les voilà en route,nu gingen ze op weg.
longtemps,lang.
ils frappèrent,zij klopten.
s’ils pouvaient,of ze mochten.
ils avaient peur du loup,zij waren bang voor den wolf.
la nuit,in den nacht of des nachts.
cette maison était à son mari,dit huis was van haar man.
l’ogre,de menscheneter.
les cacher jusqu’à,hen verbergen tot.
elle entendit,zij hoorde.
le lit,het bed.

[XXVIII].

Fin,einde.
tout de suite,dadelijk.
je sens la chair fraîche,ik ruik versch vleesch (letterlijk: het versche vleesch).
partout,overal.
tuer,dooden.
le veau,het kalf.
rôtir,braden.
demain,morgen.
s’endormir,inslapen.
le déjeuner,het ontbijt.
furieux,woedend.
mettre ses bottes,zijn laarzen aantrekken.
les bottes de sept lieues,de zevenmijlslaarzen.
il courut après les enfants,hij liep de kinderen na.
ceux-ci,deze.
ils s’étaient cachés,zij hadden zich verstopt.
il passa devant eux,hij liep (ging) ze voorbij.
se coucher,liggen gaan.
la mousse,het mos.
il sortit de sa cachette,hij kwam uit zijn schuilhoek.
il coupa la tête,hij sneed het hoofd af.
il lui ôta ses bottes,hij trok hem de laarzen uit.
mais lui-même,maar hijzelf.
ensuite,vervolgens, daarna.
le roi était en guerre,de koning was in oorlog.
il lui apporta des nouvelles,hij bracht hem berichten.
l’armée,het leger.
il fit tant de commissions,hij deed zooveel boodschappen.
un sac de pièces d’or,een zak met goudstukken.
celui-ci fut bien content de le voir arriver,deze was heel blij (hem te zien aankomen), dat hij terugkwam.
ils vécurent,zij leefden.

[XXIX].

La neige,de sneeuw.
comme toujours,zooals altijd.
il remarqua,hij merkte op.
quelque chose,iets.
qui ne l’avait jamais frappé,dat hem nooit getroffen had.
son papa à lui,zijn (met nadruk) vader.
un somme,een slaapje.
revenir,terugkomen.
le monde renversé,de omgekeerde wereld.
un tel papa,zulk een vader.
Jean avait raison,Jan had gelijk.
les contes de fées,sprookjes.
mauvais,slecht.
il neige,het sneeuwt.
le rideau,het gordijn.
ils virent,zij zagen.
le flocon,de vlok.
le ciel,de hemel.
d’abord, puis, bientôt,eerst, dan, weldra.
un peu plus,een weinig meer.
on ne voyait plus que du blanc,men zag niets anders meer dan wit.
ils n’avaient pas envie,zij hadden geen lust.
monter,naar boven gaan.
ils pensèrent,zij dachten.
le lendemain,den volgenden morgen.
un tapis,een tapijt of kleed.
épais,dicht.
couvrir,bedekken.
jeudi,Donderdag.
ils se jetèrent des boules de neige,zij wierpen elkaar met sneeuwballen.
le traîneau,de slede.
la glissade,de glijbaan.
qu’elle était amusante la neige,wat was de sneeuw prettig!

[XXX].

Comme ça,zoodoende.
en même temps,te gelijk.
Jean apprenait à M.Jan leerde aan M.
en voyage,op reis.
le village,het dorp.
la plainte,de klacht.
font leur plainte de concert,klagen samen.
l’abri,de beschutting.
plus d’abri,geen beschutting meer.
percer,dringen door.
surtout,bovenal.
partager,deelen.
le goûter,de namiddag-boterham (de boterham die Fransche kinderen om 4 uur eten, als men laat ’t middagmaal gebruikt).
les trous du voisinage,de schuilhoekjes (letterlijk: de gaten) in de buurt.
joyeux tapage,vroolijk rumoer.
le toit,het dak.
les pauvrets,de arme bloedjes, de zieltjes.
prendre courage,moed scheppen.
gaîment,vroolijk, lustig, welgemoed.
braver,trotseeren.

[XXXI].

Quatre fois deux font sept,viermaal twee is (letterlijk: maken) zeven.
elle aura congé,zij is vrij (letterlijk: zij zal hebben).
inviter,uitnoodigen.
que c’est amusant,wat is dat prettig!
Il faut qu’elle reste, toute la journée,dan moet zij den heelen dag blijven.
la maman de N. allait un peu mieux,het ging wat beter met de mama van N.
passer,doorbrengen.
commander,bestellen, bevelen.
montrer,laten zien.
la voiture,het rijtuig.
les joujoux,het speelgoed.
voilà d’autres visites,daar komen andere gasten.
Louis s’en va,Louis gaat (heen).
à quoi joueront-elles,wat (letterlijk: waaraan) zullen zij spelen.
M. et N. s’assoient,M. en N. gaan zitten.
H. marche de long en large,H. loopt heen en weer.
la table de cinq,de tafel van vijf.
je ne la sais pas,ik ken ze niet.
je t’aiderai,ik zal je helpen.
commence toujours,begin maar.
ce n’est pas ça,dat is zoo niet.
les tables de multiplication,de tafels van vermenigvuldiging.
compter,tellen.
elle y est bien vite comme ça,zoo is ze er heel gauw.
mais à vrai dire,maar om de waarheid te zeggen (letterlijk: maar om waar te zeggen).

[XXXII].

A présent,nu.
jouer à autre chose,iets anders spelen.
un service à thé,een theeserviesje.
un plateau,een theeblad.
la théière,de theepot.
le pot au lait,het melkkannetje.
la tasse,het kopje.
la soucoupe,het schoteltje.
enfin,eindelijk.
une boîte,een kistje (doos).
la cuiller,de lepel.
de l’eau bouillante,kokend water.
infuser,trekken.
le chauffe-thé,de theemuts (Eng. the cosy).
venir en visite,op visite komen.
vous allez bien?gaat het goed? (letterlijk: gij gaat goed).
quel temps, n’est-ce pas,wat ’n weer, niet waar?
le gamin,de straatjongen.
ils vous jettent des boules,zij gooien je met (sneeuw)ballen.
asseyez-vous,gaat zitten.
puis-je vous offrir,mag ik je aanbieden.
prenez-vous,hier: gebruik je.
remplir,vullen.
sans renverser une goutte,zonder een droppel te morsen.
sa tasse à elle,haar (met klem) kopje.
verser,schenken.
ce n’est pas joli,’t is niet aardig.
un bain de pied,een voetbad.
à ses visites,tegen haar gasten.
je vais appeler,ik zal roepen.
en toile,van linnen.
en son,van zemelen.
en faïence,van aardewerk.
à la bonne heure,mooi zoo!
réparer,herstellen.
une boîte en fer blanc,een blikken trommeltje (kistje, doosje).
elle les offre,zij presenteert ze.
grignoter,knabbelen.
un grand coup,een harde slag.
de frayeur,van schrik.

[XXXIII].

Une grande cocarde blanche,een groote witte plek (letterlijk: kokarde).
les restes,de overblijfselen.
une balle,een kogel.
on se bat,men vecht.
un gros bonhomme,een groote pop.
rouler,rollen.
deux grosses jambes,twee dikke beenen.
une grosse boule,een dikke bal.
représenter,voorstellen.
le corps,het lijf, het lichaam.
au milieu de la tête,in ’t midden van het hoofd.
un peu aplatie,een beetje afgeplat.
au-dessus,boven.
à droite et à gauche,rechts en links.
une pierre,een steen.
les yeux,de oogen.
il est né,hij is geboren.
à présent,nu.
bombarder de,bombardeeren met.
lancer,werpen, slingeren.
c’est comme ça qu’il y en a,daardoor is er een.
effrayer,verschrikken.
comme elles sont debout,nu zij opgestaan zijn.
comme les garçons s’amusent,wat vermaken de jongens zich.
qui reçoit des visites,die bezoek (gasten) ontvangt.
se mouiller,zich nat maken.
faire attention,er aan denken.
prendre garde à,oppassen voor.
courir à toutes jambes,hard loopen.
suivre,volgen.
mettre une branche,een stokje (takje) steken.
la bouche,de mond.
il aura gagné,hij heeft gewonnen (letterlijk: hij zal gewonnen hebben).
ils sont bien occupés,zij zijn druk bezig.
ramasser,oprapen.
continuer à,voortgaan met.
fumer,rooken.
siffler,fluiten.
autour de ses oreilles,om zijn ooren.
bouger,zich verroeren, bewegen.
toucher,raken.
viser,mikken.
elle s’amuse tant,zij heeft zooveel pret (zij vermaakt zich zoo).
elle rit de tout cœur,zij lacht hartelijk.
cela ne lui arrive pas souvent,dat gebeurt haar niet vaak.

[XXXIV].

La glace,het ijs.
un nouvel amusement,een nieuw vermaak.
geler,vriezen.
de suite,achtereen.
l’étang,de vijver.
couvrir,bedekken.
la couche,de laag.
ils ne savaient pas,ze konden niet.
patiner,schaatsenrijden.
emmener,meenemen.
il n’y avait pas de vent,er was geen wind.
briller,schitteren.
réchauffer,verwarmen.
se mettre en route,zich op weg begeven.
comme ils marchaient d’un bon pas,daar zij flink op liepen.
descendre,afdalen.
la glissade,de glijbaan.
glisser,glijden.
tout le temps,aldoor, telkens.
que de patineurs,wat een schaatsenrijders!
se croiser,zich kruisen.
dans tous les sens,in alle richtingen.
il y en avait tant que,er waren er zooveel, dat.
près du bord,dicht aan den kant.
tout ce monde,al deze menschen.
avoir envie,lust hebben.
le patin,de schaats.
j’aimerais tant,ik zou zoo graag.
arrivèrent lui dire bonjour,kwamen hem goeden dag zeggen, hem groeten.
vous avez tellement chaud,jullie bent zoo warm.
attraper froid,kou vatten.
pour nous reposer,om uit te rusten.
se remettre en marche,weer verder gaan.
ils avaient disparu,zij waren verdwenen.
faire le tour des étangs,om de vijvers heenwandelen.

[XXXV].

Oter,uittrekken.
le gant,de handschoen.
dehors,buiten.
elle ne s’en était pas aperçue,zij had het niet gemerkt.
sentir,voelen.
ne te mets pas près du poële,ga niet dicht bij de kachel staan.
les mains te feraient mal,je handen zouden je zeer doen.
un jeu,een spel.
Marie s’assied,Marie gaat zitten.
en face d’elle,tegenover haar.
taper,klappen.
la paume,de palm van de hand.
en mesure,op de maat.
jusqu’au bout des doigts,tot aan de toppen der vingers.
s’agiter,zich bewegen.
entrez vite en danse,begin vlug te dansen.
frapper,slaan.

[XXXVI].

Passer,voorbijgaan.
c’est dommage,’t is jammer.
s’amuser à patiner,zich vermaken met schaatsenrijden.
s’amuser à faire des glissades,zich vermaken met glijden.
s’amuser à sortir en traîneau,zich vermaken met sleden (letterlijk: uitgaan in een slede).
le charbon,steenkool.
les vêtements,de kleeren.
la nourriture,het voedsel.
fondre,smelten.
un baquet d’eau,een bakje water.
une assiettée de pain,een bordvol brood.
le pinson,de vink.
la mésange,de mees.
tout de même,toch.
la bonne chaleur,die heerlijke (letterlijk: de goede) warmte.
la terre,de aarde.
s’amollir,zachter, weeker worden.
le bourgeon,de knop.
se gonfler,zwellen (zich uitzetten).
bâtir,bouwen.
égayer,opvroolijken.
soigner,verzorgen.
un brin de paille,een strootje (letterlijk: een halm van stroo).
la branche,de tak.
ce petit coin,dit hoekje.
entre,tusschen.
prêt,klaar.
la femelle,het wijfje.
pondre,leggen.
construire,bouwen (samenstellen).
pas du tout,in ’t geheel niet.

[XXXVII].

Se sentir,zich gevoelen.
un peu seule,een beetje eenzaam.
comprendre,begrijpen.
l’herbe,het gras.
cueillir,plukken.
un arbuste,een struik, een heester.
la pâquerette,het madeliefje.
tout un petit bouquet,een heel bouquetje.
la couronne blanche,de witte kroon.
un bouton d’or,een boterbloempje (lett.: gouden knoop).
en voilà encore quelques-uns,daar zijn er nog eenige.
comme ça sent bon ici,wat ruikt het hier lekker.
le lilas,de sering.
elle aimerait en cueillir,zij zou er graag van plukken.
appeler,roepen.
et cela d’une main,en dat met één hand.
obéissant,gehoorzaam.
le sommet,de top, de kruin.
allons Paul,toe Paul.
qu’est-ce que Paul doit faire,wat moet Paul doen.
un escabeau,een voetbankje.
les ciseaux,de schaar.

[XXXVIII].

Se faner,verwelken.
arranger,(rang)schikken.
la cheminée,de schoorsteenmantel.
une coupe,een schaal.
un ouvrage,een werk.
tout à fait,heelemaal.
oublier,vergeten.
border,toedekken.
il fait si noir au jardin,’t is zoo duister in den tuin.
les cris,de kreten, het geschreeuw.
la chambre à coucher,de slaapkamer.
qu’est-ce que ça fait,wat zou dat?
croire,meenen, gelooven, hier: denken.
c’est bien fait pour lui,dat is zijn verdiende loon.
la couverture,de deken.
un baiser,een kus.
s’en aller,heengaan.
serrer,drukken.

[XXXIX].

Ce n’était pas étonnant,dat was geen wonder.
aller en classe,naar school gaan.
tiens, moi pas,zoo, ik niet.
poursuivre,vervolgen.
en riant,lachend.
emmener,meenemen.
s’asseoir,zitten gaan.
à côté de toi,naast je.
c’était trop drôle,’t was te gek.
avant de quitter l’école,voor de school te verlaten.
il y avait près d’un an,het was ongeveer een jaar.
gentiment,aardig.
un petit mensonge,een leugentje.
nous verrons,wij zullen zien.
c’étaient de gros mensonges,het waren dikke (grove) leugens.
une bêtise,een domheid, een dwaasheid.

[XL].

La sortie,het uitgaan.
quitter,verlaten.
retrouver,terugvinden.
la meilleure heure,het beste uur.
s’envoler,vlug weggaan (lett.: wegvliegen).
faisons les fous,laten we dartel zijn.
terminer,eindigen.
l’écriture,het schrift (schrijven).
la lecture,het lezen.

Au lecteur.

Ce livre électronique reproduit intégralement le texte original. Seules quelques erreurs typographiques évidentes ont été corrigées comme indiqué ci-après, et quelques erreurs de ponctuation ont été tacitement corrigées.

PREMIÈRE PARTIE

[Page 11]: «dan» remplacé par «dans» (dans son petit lit).

[Page 38]: «écoIe» par «école» (aller à l’école).

[Page 55]: «Aussiôt» par «Aussitôt» (Aussitôt, joyeux tapage).

[Page 55]: «enfanfs» par «enfants» (comme tous les enfants).

MOTS ET EXPRESSIONS

[Page 9]: «niet» mis en italiques (hij heeft zijn arm niet noodig.)

[Page 21]: «vensterbauk» remplacé par «vensterbank» (de vensterbank.)