en zuiver maken, ’k zal uw helper zijn.

o wonder, ’t is in weinig oogenblikken

wel na mijn zin—ei, wilt niet schrikken,

komt er nu vrij in!

6Maar ach! helaas! ik ben te slecht,

ik ben niet waardig om zoo grooten koning

t’ ontvangen in zoo slechten woning;

maar ach! ik bid, heb deernis met uw knecht!

ik bid, spreek maar een eenig woord,

opdat het na uw zin mijn ziele hoort!