5O jongeling van schoonheid rijk,
wiens harte zou niet branden?
nooit zag ik ergens uws gelijk
in al mijn vaders landen.’
‘Ja kuische maagd, die ik wel ken,
uw liefde is te roemen.
nu zult gij weten wie ik ben:
den maker van de bloemen.’
6‘Zijt gij’t, mijn allerschoonste heer?
mijn liefste, mijn beminde?