ver uit haar heidensch vaderland

door beemden en door weiden.

9Zij spraken menig vriendelijk woord

al gaandeweegs te zamen,

toen bragt begeerte ’t vragen voort:

‘hoe is toch uwe name?’

‘Mijn naam, o maagd, is wonderschoon,

zijn kracht kan ’t hart genezen,

in mijn heer vaders hoogen troon

daar staat hij schoon te lezen.