15‘Och heer, dat staat mij wonder aan,
mijn allerschoonste koning!
laat ons toch haastig heenen gaan
naar uw heer vaders woning!’
‘O maagd, dient mij opregt en rein,
mijn rijk zal ik u geven,
daar zult gij eeuwig bij mij zijn,
in groote vreugde leven.’
16‘Zij gingen alzoo rein en kuisch
door beemden en door weiden,