20‘Och! die dien ik zoo teer bemin,
die is mij hier ontgangen:
hij trad tot uwe poorte in,
hij beidt mij veel te lange.
och! noodig hem toch weder uit,
zeg dat hij mij kom vinden,
eer dat mijn hart van droefheid stuit:
hij is mijn hoog beminde.’
21‘Och, maagd! de geen die u hier liet,
is hier niet in gekomen,