woudt ghi mijn leven laten,

ic sal van uw bastertdochterken

een gravinne van Hollant maken.’

16‘Dat en doe ic nu noch nemmermeer!

ken wilse gheen verrader gheven;

ghi hebt er mijn huisvrou ghenomen haer eer,

en dat sal costen uw leven.

17Dat ghi mijn broeder hebt vermoort,

dat had ic u al vergheven:

nu hebt ghi ghenomen mijn huisvrou haer eer,