en daer toe mijn iseren hoede.’
23Gheraert van Velsen was rat ter hant,
hi wies graef Floris van den bloede:
‘secht mi, o grave van Hollant,
hoe is u nu te moede?’
24‘Hoe mi nu te moede is?
en ic moet immers sterven.
had icker een wijf met een clein kint,
die icker mijn grote goet mocht erven!
25Ic heb noch wel een soon heet Jan,