. . . . . . .
17Nu nemic dat op mijn henevaert,
dat ic sijns lives niet schuldich en waert
meer dan een hendelijn ende een cussen,
daer was een sluier tuschen.
18Och Degener, lieve Degener hout,
een hertoch, een greve, een ridder also stout!
wien beveeldi nu uw rode gout,
dat ghi hebt ligghen in den vout?’
19‘Dat ghevic Lussewine,