¶ 1, 1. oolijk, schlecht, ehrlos, verworfen—schachelaar, schaaker, Schächer, Räuber—2, 1. verkocht, verkaufte—6, 4. maag, Verwandter—9, 4. kamenier, Kammerjungfer—14, 3. voorgespan, das Vordergespann, das erste Gespann Pferde—18, 4. deerlijk, betrübt, erbarmenswerth.
¶ Nr. 12.
Die Königstochter.
1‘Dat alle berghen goude waren
en alle waters wijn,
so had ic jou noch veel liever,
moi meisje, waerje mijn.’
2‘Hadt ghi mi dan veel liever,
als ghi mi doet in schijn,
so gaet eens voor mijn vader staen