van nu tot in der doot:

ghi bent een conincs dochterken,

een roosjen also root.’

6‘Ben ic een conincs dochterken

en ghi een graven kint—’

si namen malcander bi de hant

en ghinghen onder de lind.

7Si namen malcander bi de hant

en ghinghen onder de lind,

daer speelden si twee het minnespel,