¶ 2, 3. in’t gemoete, entgegen—3, 3. nämlich gesproken —7, 4. kan, Volkssprache für ken—19, 1. knoest, Ast— 19, 3. daveren, beben.
1 Den Willems weglässt: dan eenen man was oudt.
¶ Nr. 14.
Das Weltweib.
1Het waren twee koningskinderen goed,
zij waren hoog geboren,
zij konden van alle haers vaders goed
malkanderen geen trouw beloven.
2‘Zuster, zeide hij, zuster mijn,
mijn zuster landesvrouwe,