5Hij zetten een kroon al op zijn hoofd,
een kroon was rood van gouwe.
hij zag uit zijn bruin oogen zoo wel
gelijk een wereldsche vrouwe.
6‘Nu zadelt mij mijn beste paerd,
mijn alderbeste van vijven,
dat ik mag rijden over berg, over dal
al na mijn zoete liefjen!’
7Hij reed over berg, over dieper dal
zoo meniger stoute mijlen,