het lichtet overal;
hoe luttel weet mijn liefken
och waer ic henen sal,
hoe luttel weet mijn liefken!
2Och warent al mijn vrienden
dat mijn vianden sijn,
ic voerdu uiten lande,
mijn lief, mijn minnekijn!
ic voerdu uiten lande.’
3‘Dats waer soudi mi voeren,