en voerde ze in korte wijlen
wel vierenzeventig mijlen.
4Hij voerde ze over een akker was wijd,
dat was er met roode roosjes bespreid,
hij zeide: ‘vrouw maget, gij moet achterwaarts staan,
mijn graauwe ros is er zoo moede van gaan.’
5‘Waarom zoo zoude ik achterwaarts staan?
had ik er mijn vaders raadje gedaan,
daar toe mijn vrouw moedertjes wille,
ik had er geweest een keizerinnen.’