u is verbeden uw lijf:
dat heeft ghedaen een vrouwe,
eens groten lantsheren wijf.’
12‘Hevet dat ghedaen een vrouwe,
eens groten lantsheren wijf:
god houdse in haerder eren
ende mi mijn jonghe lijf!’
13Hi wranc van sinen handen
een gouden vingherlijn,
dat gaf hi haer tenen pande,