dat ghijder met mijn soldaten

soudt drinken den koele wijn.’

19‘Och vader, seide sy, vader,

daer ben ick wel in gherust,

u te volghen met uw soldaten,

dat isser mijn hoochste lust.’

20‘Margriet, mijn joncste dochter,

ten macher niet wesen also,

dat ghijder met mijn soldaten

soudt slapen al in dat stroo.’