daer men maer by nachten scheidt.
Von der Kirmess gibt uns der Anfang eines längern Liedes (Willems Nr. 247) ein recht lebendiges Bild:
De boerkens smelten van vreugd en plezier
als den oogst is binnen getreden,
zy gaen met hunne boerinnen te bier
en zy maken zeer goeden cier.
den bezem steekt ten venstren uit,
men danst er, men speelt er al op de fluit,
op potten, op pannen,
op glazen, op kannen,