ik vrolijke bootsgezel,
ik wou zoo garen—tan ta ri ta ta—
ik vrolijke bootsgezel,
ik wou zoo garen eens drinken.
Andere bewahren noch Redensarten und Wendungen jener alten Volkslieder, z. B.
’s Nachts omtrent, het was middernacht—
(vgl. 14, 13. Antw. LB. 63, 5. 79, 4)
Het was nacht, het was nacht, het was midden in de nacht—
Den dag die verging en den avond kwam aan—
De wind die waait en de molen draait—