Weimar. Hs. 1537. Nr. 47.—Hs. 1, 4. dorfft (dorst) und so immer—1, 5, wie (hoe)—2, 2. beginnen (bedwinghen)—2, 3. ain stekʒ hem (ende steke het)—2, 3. 3, 3. an, ann (ende).

¶ 1, 2. moeten, begegnen—slecke, Schnecke—1, 4. mest, Messer—2, 1. velthoen, Rebhuhn.

¶ Nr. 133.

Klunkerig und Gemalin.

1Klompertjen en zijn wijfjen,

Die zouën vroeg opstaan,

Om eiertjens te verkoopen,

En naar de markt te gaan.

2Ze waren halleverwegen,

Halleverwegen den dijk,