Vlämisch: Willems Nr. 234, mündlich aus Gent.
¶ 1, 5. lodderig dasselbe was loddelyk, verliebt—2, 3. hoek, Winkel—2, 4. broek, Hose.
¶ Nr. 156.
Mein Mann ist zu Haus.
1Wie drommel klopt hier aan mijn huis?
is het een rot of is ’t een muis?
mijn man is ’t huis, mijn man is ’t huis,
mijn man, mijn man, mijn mannetje!
slaap, mijn zoete kinnetje,
en doet uw oogjes toe!