Maar denk, terwijl nu oog mijn nietig schrift beziet,

Al mist der Batten spraak Italjes zang akkoorden,

Hun tongval of hun ziel leent zich tot vleijen niet.’

My veritable impromptu instantly called forth this beautiful answer from Mezzofanti:—

‘Mynheer! als uw fraaj schrift kwam heden voor mijne oogen,

Door Uw’ goedaardigheid was ikheel opgetogen,

En zooveel in mijn geest zooveel in’t hart opklom,

Dat mijne tong verbleef med vijftig taalen stom.

Nu, opdat ik niet schijn U een ondankbaar wezen,

Bid ik U in mijn hart alleen te willen lezen.[460]