“Noortsche deelhaelders laeden het meest wanneer na den vierkante hellen, kooren schepen en die op stukgoederen aenleggen, als ze rondtachtig zijn en veel springen. Oost en Noortsvaerders die grove waeren laeden zijn grooter in ’t gemeen als die stukgoederen wijnen en diergelijke laeden gelijk ook de zouthaelders”[14].

These are all variations of a same type of vessel.

When the size of ships increased, it was necessary to make them still more bulging on account of the limited depth of the arms of the sea, and this brought about the disappearance of differences in the fundamental forms.

Thus we read in VAN YK (page 348).

“Maar als men hiertegen aanmerkt dat wegens de doorgaans ondiepe gronden en lastvoerens wil alle schepen van tijd tot tijd vierkanter werden gebouwd sulks dat heden desen aangaande niet so veel onderscheid tusschen d’een en d’andere soort van schepen als wel voor dezen gevonden werd. Want een hedendaags welgebouwde kaag sal in Lasten te voeren ’t Smalschip dat in Lengte, Wijdte en Holte daaraan gelijk is, weinig wijken willen. En de Damschuit die wel gemaakt is sal den Damlooper bijna ook evenaren konnen.”[15]

The narrow deck of merchant vessels had still another origin which referred to the way of gauging vessels and gave rise to the construction of strongly bulging ships.

WITSEN says (p. 160) on this point:

“Het uitbreecken deser schepen (Noortsvaerders) voor en achter bracht hier in den schipper profijt aan dat ze vele goederen meer stouden als de maat der schepen hielt.”[16]

This applies especially to boats going to load wood or grain at the Baltic ports, on account of the tolls which had to be paid to the King of Denmark, tolls of which the amount was determined by the treaty of 1647, by calculating the capacity of the vessel in terms of the length, the beam on deck and the depth of hold. But, when this treaty was modified in 1666, this unsightly way of building and this exaggerated bulging gradually disappeared (werd dit mismaekt bouwen en geweldigh uitspringen achterwege gelaten). (WITSEN, p. 160.)

[III 16]