[89]. Die gestriegelte Rockenphilosophie (Chemnitz, 1759), pp. 239 sq.; U. Jahn, Die deutschen Opfergebräuche bei Ackerbau und Viehzucht, pp. 214 sqq. See above, p. [17].

[90]. Van Schmid, “Aanteekeningen nopens de zeden, gewoonten en gebruiken, etc., der bevolking van de eilanden Saparoea, etc.” Tijdschrift voor Neêrlands Indië, 1843 (Batavia), dl. ii. p. 605; A. Bastian, Indonesien, i. 156.

[91]. G. W. W. C. Baron van Hoëvell, Ambon en meer bepaaldelijk de Oeliasers (Dordrecht, 1875), p. 62.

[92]. G. A. Wilken, “Het animisme bij de volken van het Indischen archipel,” De Indische Gids, June 1884, p. 958; id., Handleiding voor de vergelijkende Volkenkunde van Nederlandsch Indië (Leyden, 1893), pp. 549 sq.

[93]. E. L. M. Kühr, “Schetsen uit Borneo’s Westerafdeeling,” Bijdragen tot de Taal- Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, xlvii. (1897) pp. 58 sq.

[94]. A. C. Kruijt, “Eenige ethnografische aanteekeningen omtrent de Toboengkoe en de Tomori,” Mededeelingen van wege het Nederlandsche Zendelinggenootschap, xliv. (1900) p. 221.

[95]. D. Grangeon, “Les Cham et leur superstitions,” Missions Catholiques, xxviii. (1896) p. 83.

[96]. Indian Antiquary, i. (1872) p. 170.

[97]. A. C. Kruijt, “Een en ander aangaande het geestelijk en maatschappelijk leven van den Poso-Alfoer,” Mededeelingen van wege het Nederlandsche Zendelinggenootschap, xxxix. (1895) pp. 22, 138.

[98]. Id., “Eenige ethnografische aanteekeningen omtrent de Toboengkoe en Tomori,” ib., xliv. (1900) p. 227.