The copy in my possession consists of two parts in folio, bound together in parchment, furnished with two indexes, which however do not mention all the volume contains, for we look in vain for the name Dodaers, Dodo, or Dronte in the indexes; and yet we find in the second part, p. 282., a well-executed representation of this bird, and on the following page we read:

"Dronte of Dodaers.

"Op het eilant Mauritius inzonderheit, houdt zeker vogel van een wonderlijke gestalte, Dronte, en by d'onzen Dodaers genoemt. Hy is van groote tusschen een vogel-struis en Indische Hoen; en verschilt in gestalte, en komt ten deele daer mee over-een, ten aenzien van de veeren, pluimen en staert. Hy heeft een groot en wanstaltigh hooft met een vel bedekt, en verbeelt dat van een koekoek: d'oogen zijn groot en zwart: de hals krom, vet, en steekt voor uit. De bek is boven mate lang, sterk en blaeuwachtigh wit: behalve d'einden: waer van d'onderste zwartachtigh, een bovenste geelachtig zijn, en beide spits en krom. Hy spert den bek leelijk en zeer wijt open, is ront en vet van lijf, dat met zachte en graeuwe pluimen, als die van den struisvogel, bedekt is. De buik en aers is dik, die byna op d'aerde hangt: waerom, en van wegen hunnen loomen gang, deez vogel Dodaers by d'onzen genoemt wort. Aen beide zijden zitten eenige kleine pluymige pennen, in plaetse van vleugels, uit den gelen witachtigh, en achter aen den stuit, in plaetse van de steert, vijf gekrulde penne-veeren van een zelve kleure. De beenen zijn geelachtigh en dik; maer zeer kort: doch met vier vaste en lange pooten. Deze vogel is langzaem van gang en dom, en laet zich lichtelijk vangen. Het vleesch, inzonderheit dat van den borst, is vet en eetbaer. Hy is zoo zwaer, dat hondert menschen aen drie of vier Dronten genoegh t'eeten hebben. Het vleesch van d'ouden is, zoo niet gaer gekookt is, zwaer om te verteeren. Het wort ook ingezouten. Veelijts hebben zy een grooten en herden steen in de mage, die holachtigh en evenwel hart is."

Should Mr. Strickland wish further information concerning the work of Johan Nieuhof, I shall ever be happy to oblige him.

J. M. van Maanen.

Amsterdam.

[From our Dutch cotemporary, De Navorscher, by whom similar replies have been received from H—g and G. P. Roos.]


THE HEAVY SHOVE.

(Vol. v., p. 416.)

Like your correspondent Mr. Clark, I too have kept a sharp look-out for this curious piece ascribed to Baxter; but having been unable to track it, I had long since come to the conclusion that its existence was apocryphal.