8.
Priester.
Waar bistou, Lambert mijn knecht?
Koster.
Hier ben ik, heer, uw getrouwe knecht.
Priester.
Gaat in ’t westen, gaat in ’t zuiden:
wat brengen ons de kerkeluiden?
Koster.
De kerkeluiden hebben ons welle bedocht,
zij hebben ons een koe gebrocht.
Priester.
Een koe, loopt toe!
een kalf, vreet half!
een zwijn een quijn,
een gans een quans,
een eentje queckorum,
een hoentje kaacketorum.
Alle zingen.
Een belletje klincklancklorum.
ora pro nobis! morgen eten wij stokvis,
overmorgen labberdaan,
zondag zullen wij te gast gaan.
Holländisch: Scheltema’s Sammlung, Anf. des 18. Jahrhunderts. Das bistou (bist du) weist auf Deutschland hin, und da findet sich denn auch dasselbe Lied in anderen Fassungen, es lässt sich schon am Anfange des 16. Jahrhunderts nachweisen.
Es ist ein Spottlied auf die Umzüge der Geistlichen. Zu gewissen Zeiten, zu Neujahr, am Drei-Königs-Tage oder um die Fastnacht, pflegte der Kirchherr in Begleitung seines Küsters, wie es in Norddeutschland noch vor 50 Jahren (“Pastor sammelt”) üblich war, von Haus zu Haus seine Gefälle einzusammeln. Die bestanden dann meist in Lebensmitteln, u. da gab es Brot, Eier, Käse, Speck, Schinken, Würste, allerlei Geflügel, auch wol Wein.
Der älteste Text, freilich nur unvollständig, lautet nach einer Aufzeichnung zu Anfange des 16. Jahrhunderts (Magdalenen-Bibl. zu Breslau):
Knecht Ruprecht, was wollen wir sagen oder singen?
die pauren die wollen uns nichts mer bringen.
Herr, die pauren die haben sichs wol bedacht,
sie haben uns ein gute ente gebracht.
ein ente ein quater,
ein han . . . . . . ,
ein gans ein flans,
ein schwein, stich drein!
ein lamb ein laterum,
ein ku ein gutterum,
ein pfert ist wert.
Den flachs den sol man spinnen,
den wein den sol man trinken,
eim schoͤnen fraulen sol man winken.
Ein fuder nüsselein gebracht:
die nüsselein die sol man krachen,
aus den schalen ein feuerlein machen.
Einen spätern vollständigen Text gibt Erk im Wunderhorn 4. Bd. S. 56–60. aus einem hdschr. LB. um 1610. Die letzte Strophe lautet:
Hui Knecht Ruprecht!
O Herr, bin ich so ein armer Knecht!
Was soll ich singen und sagen?
Die Bauren wöllen uns nichts mehr eintragen.
Die Bauren hant sichs wol bedacht,
Sie haben uns ein Metzen Koren gebracht.
Ein Metzen Koren bringen sie erst morgen,
Ein Fuder Heu, dass mans morgen meih,
Ein Ross im Moos, Ein Kuh, schlag zu!
Ein Schwein, stich drein! Ein Schaf ein Läsere,
Ein Enten schnadere, Ein Gans ein Flans,
Die Hennen peccatorion,
Ein Pfenning gling glang glorion,
Exorion!
Das Lied ist noch nicht erloschen, es lebt noch im Munde des Volke fort. Ein kleines Liederbuch: “Deutscher Miniatur-Liederkranz”, in den 40r Jahren dieses Jahrhunderts gedruckt “Guben, Verlag von F. Fechner” 12o enthält unser Lied unter Nr. 230 in sieben Strophen. Es ist aber auf die Bettelmönche, die Terminanten übergegangen. Die letzte Strophe:
Erster Mönch.
Was wollen wir singen, was wollen wir sagen?
Zweiter Mönch.
Die Bauern woll’n nichts mehr ins Kloster tragen!
Erster Mönch.
Da haben sie sich noch eins bedacht
Und haben uns eine Kuh gebracht.
Chor.
Eine Kuh, schlag zu! Ein Schwein, schlacht’s ein!
Ein Kalb, nimm’s halb!
Eine Gans mit ihrem breiten Fuß,
Eine Ente, eine Schnickel-schnackel-schnoribus,
Eine Henne, ein Kikel-kakel-koribus,
Einen Pfennig, einen Kling-klang-kloribus,
Von dem man singen und sagen muss.
Ora pro nobis!
¶ Nr. 165.
Dickethun ist mein Reichthum.
1Het zou er een boer zijn dochter uit geve,
wat gaf hij het meisje in’t eerste jeer?
een koe en ’t vale hennetje,
dat vloog het meisje toe.
2Het zou er een boer zijn dochter uit geve,
wat gaf hij het meisje in’t tweede jeer?
twee kalveren met een os,
een koe en ’t vale hennetje,
3Het zou er een boer zijn dochter uit geve,
wat gaf hij het meisje in ’t derde jeer?
drie ros, twee kalveren met een os,
een koe en ’t vale hennetje,
dat vloog het meisje toe.
4Het zou er een boer zijn dochter uit geve,
wat gaf hij het meisje in ’t vierde jeer?
vier zwanen met een zwijn,
drie ros, twee kalveren met een os,
een koe en ’t vale hennetje,
dat vloog het meisje toe.
5Het zou er een boer zijn dochter uit geve,
wat gaf hij het meisje in ’t vijfde jeer?
vijf vogelen met een vink,
vier zwanen met een zwijn,
drie ros, twee kalveren met een os,
een koe en ’t vale hennetje,
dat vloog het meisje toe.
6Het zou er een boer zijn dochter uit geve,
wat gaf hij het meisje in ’t zeste jeer?
zes hoenderen, vijf vogelen met een vink,
vier zwanen met een zwijn,
drie ros, twee kalveren met een os,
een koe en ’t vale hennetje,
dat vloog het meisje toe.
7Het zou er een boer zijn dochter uit geve,
wat gaf hij het meisje in ’t zevende jeer?
zeven paarden waren fijn,
zes hoenderen, vijf vogelen met een vink,
vier zwanen met een zwijn,
drie ros, twee kalveren met een os,
een koe en ’t vale hennetje,
dat vloog het meisje toe.
8Het zou er een boer zijn dochter uit geve,
wat gaf hij het meisje in ’t achtste jeer?
acht leêge wagen, zij waren onbeladen,
zeven paarden waren fijn,
zes hoenderen, vijf vogelen met een vink,
vier zwanen met een zwijn,
drie ros, twee kalveren met een os,
een koe en ’t vale hennetje,
dat vloog het meisje toe.
Holländisch: Scheltema’s Sammlung, Anfang des 18. Jahrhunderts. Das Lied geht noch weiter, aber aus dem Bäuerlichen ins Abenteuerliche, es folgen negen steene kerken, tien zwarte nonnen, elf vette papen und tweelf landesknechten, die deden niet dan vechten.
¶ 8, 3. leêg für ledig.
¶ Nr. 166.
Die Patriotchen.
1Wat zullen ons Patriootjens eeten,
als zy in ’t leger zyn?
gebraden hoenderkens met pasteten
zullen ons Patriootjens eeten.
kapitein, luitenant, vaanderik, sergeant,
tambour, korporaal—
Patriootjens, kameraadjens.
2Waar op zullen ons Patriootjens slapen,
als zy in ’t leger zyn?
op een beddeken met schoone laken
zullen ons Patriootjens slapen,
kapitein, luitenant, vaanderik, sergeant,
tambour, korporaal—
Patriootjens, kameraadjens.
3Waar met zullen ons Patriootjens spelen,
als zy in ’t leger zyn?
met kaarten en schoone maasken
zullen ons Patriootjens spaasken.
kapitein, luitenant, vaanderik, sergeant,
tambour, korporaal—
Patriootjens, kameraadjens.
Holländisch: Büsching und von der Hagen, Sammlung deutscher Volkslieder, Anhang Nr. 9. Zwar dort aus Brüssel, aber doch in Holland entstanden: es ist ein Spottlied auf die holländische Staatenpartei, die sogenannten Patrioten, die im J. 1787 den Einmarsch der preußischen Truppen nicht zu hindern vermochten und erlagen. Es ist gewiss im preußischen Heere zuerst gesungen worden, wie es denn auch wol dort entstanden ist: spaasken ist gar kein holländisches Wort, und maaskens müsste meisjes, pasteten pasteien heißen.
Merkwürdig, dass dies Lied in den Jahren 1813–15 an der Niederelbe wieder auftauchte: damals sang es die englisch-deutsche Legion. Daher denn auch der wunderliche Anfang:
Ein Schifflein sah ich fahren,
Darinnen waren geladen
Drei brave Compagnien Soldaten.
Die übrigen Strophen erinnern an das Patriotenlied:
Was sollen die Soldaten essen?
Gebratene Fische mit Kressen,
Die sollen die Soldaten essen.
Was sollen die Soldaten trinken?
Den besten Wein, der zu finden,
Den sollen die Soldaten trinken.
Wo sollen die Soldaten schlafen?
Bei ihrem Gewehr und Waffen
Da sollen die Soldaten schlafen.
Wo sollen die Soldaten tanzen?
Vor Haarburg auf der Schanzen
Da müssen die Soldaten tanzen.
Wie kommen die Soldaten in den Himmel?
Auf einem weißen Schimmel
Da reiten die Soldaten in den Himmel.
Wie kommen die Offiziers in die Höllen?
Auf einem schwarzen Fohlen
Da wird sie der Teufel alle holen.
Die Melodie des holl. Textes steht im Melodien hefte zu Büsching u. von der Hagen 1807, die des deutschen am besten in Erk, Volksl. 2. Bd. 3. Heft Nr. 22.
Das Merkwürdigste ist nur noch, dass aus der deutschen Melodie die der im J. 1830 von Delavigne gedichteten Parisienne hervorging, die Übereinstimmung beider ist wenigstens mehr als zufällig.
¶ Nr. 167.
Rob dob derob dob dob!
1De trom maakt ieder ’t hart vol moed,
die als een braaf soldaat
voor ’t vaderland zijn lijf en bloed
fris avonturen gaat.
wanneer tambour reveille slaat,
om brandewijn roept soldjermaat:
rob dob derob dob dob,
rob dob derob dob dob,
wij geven het niet op.
2Het schoonste leven is in ’t veld,
daar vlamt men op den buit,
daar speelt men heer met weinig geld,
al had men niet een duit.
de boer moet geven wat hij heeft,
waarvan de heer soldaat dan leeft.
rob dob enz.
3Een krijgsman leeft gelijk een heer
met groote deftigheid;
hij ziet zoo moedig als een beer,
hij vlamt maar op den strijd,
hij schroomt voor geen bebloeden kop,
hij zet zijn huid geweldig op.
rob dob enz.
4Waar dat hij komt, hij speelt den baas,
wie schrikt niet voor zijn stem?
het krijgsmuzijk is tromgeraas,
dat geeft zijn ijver klem.
schalmeijen, trommen en trompet,
die roepen krijgsman aan ’t banket,
rob dob enz.
5De marsepein van menig pond,
spouwt Hans uit zijn metalen mond,
wie lust die eet daar of.
het klein banket is kruid en lood,
de handgranaten wittebrood.
rob dob enz.
6De bommen zijn ons venezoen,
maar magtig droog van korst;
’t was beter een gebraden hoen,
al was ’t ook wat bemorst.
zoo leeft een krijgsman in het veld,
en vreest voor vijand noch geweld.
rob dob enz.
7De gansche wereld is zijn huis
en de aard geheel zijn bed.
het donderend kanongespuis
is muzijk van ’t balet.
zijn koele waaijer is de wind,
zoo dat men zijns gelijk niet vindt.
rob dob enz.
8De hemel is zijn nachtgordijn,
zijn nachtlicht is de maan,
behalve die der sterren schijn,
zijn wekker is de haan.
een krijgsman is een wonderkwant,
hij is een baas van ’t gansche land.
rob dob enz.
9En komt het leger tot den strijd,
soldaat die vloekt en zweert,
hij schiet, hij houwt, hij steekt, hij snijdt,
hij doet wat hij begeert.
hij moordt of geeft bij wijl kwartier,
naar dat hij valt op krijgsmanier.
rob dob enz.
10En komt hij dan in ’t garnizoen,
zoo leeft hij als een vorst,
want daar is voor hem niets te doen,
hij teert en smeert de borst.
’t is evenveel van waar men ’t haalt,
wanneer de trom slaat is ’t betaald.
rob dob enz.
11En heeft hij dan zijn tijd vergist,
zoo dat hij sterft de dood,
men hangt zijn degen op de kist,
en geeft hem menig schoot,
men draagt hem eerst een straatjen om,
hij wordt begraven met de trom:
rob dob derob dob dob,
rob dob derob dob dob,
wij geven het niet op.
Holländisch: VolksLB. bei Le Jeune, Volkszangen Nr. 52. Das Lied gehört noch ins 17. Jahrh., als sich das Söldnerwesen auch in den Niederlanden zum Soldatenstande ausgebildet hatte. Der Kehrreim mit seinen fünf Schlägen der Trommel, der sich wiederholt, ist noch ein Nachklang aus dem Brauche deutscher Landsknechte. Bei diesen war der Trommelschlag: top top topp topp topp, und das Volk sang dazu:
Hut dich, Baur, ich komm!
Mach dich bald davon! u. dgl.
S. Hirsch de origine Landsknechtorum in Miscellanea Lips. Nova Vol. IX. P. 1. 1752.
¶ 1, 6. soldjermaat, soldeniermaat, Söldnergeselle—2, 2. 3, 4. vlammen op iets, begierig auf etwas sein—3, 2. deftigheid, Würde—3, 4. maar, nur—3, 5. schroomen, erschrecken—3, 6. opzetten, daran setzen, wagen—4, 1. den baas spelen, den Herren machen—4, 4. klem, Nachdruck—5, 1. marsepein, marssepain, Marcipan—6, 1. venezoen, frz. venaison, Wildbret—6, 4. bemorst, beschmutzt—7, 3. gespuis, Gekrach—8, 3. behalve die, außer denen—8, 5. wonderkwant, Blitzkerl—9, 6. naar dat, nachdem—10, 4. teeren en smeeren de borst, schwelgen, sich gütlich thun—11, 1. vergissen, betrügen d. h. durchbringen—11, 3. kist, Sarg.
¶ Nr. 168.
Juchhe, lasst uns trinken!
1Al ben ic van den schamel ghesellen,
ei nochtans so willic vrolic sijn
van tienen, van vieren, so wil ict stellen
en drinken den hupsen coelen wijn.
Hi, laet ons drinken en clinken
en laet ons maken den dobbelen haen!
mijn keelken moet wijnken drinken,
al sou mijn voetken baervoets gaen.
2Wel eten, wel drinken dat doet mi specken,
verstaghet al minen sin:
een potteken drinken, een potteken lecken
daer staet al mijn leven in.
Hi, laet ons drinken en clinken
en laet ons maken den dobbelen haen!
mijn keelken moet wijnken drinken,
al sou mijn voetken baervoets gaen.
3Met luilic werken en vromelic broesen
daer hanghet al mijn leven an,
en wijnken drinken met dobbelen croesen,
dit doen ic altijt waer ic can.
Hi, laet ons drinken en clinken
en laet ons maken den dobbelen haen!
mijn keelken moet wijnken drinken,
al sou mijn voetken baervoets gaen.
4Sinte Noiwerc heb ic vercoren
tot minen alderbesten patroon,
ic heb hem dapperlic Hulde ghesworen,
in leechdom eer ic sinen persoon.
Hi, laet ons drinken en clinken
en laet ons maken den dobbelen haen!
mijn keelken moet wijnken drinken,
al sou mijn voetken baervoets gaen.
5Sinte Luijaert heb ic om ghedraghen
en sinte Noiwerc heerlic gheviert,
ic hebse ghedient bi nachte bi daghen,
sinte Reinuits heeft mi bestiert.
Hi, laet ons schinken en clinken
en laet ons maken den dobbelen haen!
mijn keelken moet wijnken drinken,
al sou mijn voetken baervoets gaen.
6Dus ben ic vast te schepe gheseten,
int luisich schip van sinte Reinuits
en metter ghilde mijn daghen versleten,
dus gheeft mi elken toch wat cruits.
Hi, laet ons schinken en clinken
en laet ons maken den dobbelen haen!
mijn keelken moet wijnken drinken,
al sou mijn voetken baervoets gaen.
7Oorlof Bacchus, prince ghepresen!
ic vaer te platte borse nae mijn hol.
oorlof, lieve prince te desen!
ic drinc so gheerne mijn buicsken vol.
Hi, laet ons schinken en clinken
en laet ons maken den dobbelen haen!
mijn keelken moet wijnken drinken,
al sou mijn voetken baervoets gaen.
Antw. LB. Nr. 174.
¶ 1, 1. schamel, arm—1, 3. stellen, anordnen—1, 6. d.i. lasst uns den Ersten spielen, den Matador machen. Kiliaen: ”haen. Homo imperiosus, gallus enim suo generi imperitat. Den haen maken. Omnia pro imperio agere: cristas erigere.” Vgl. das frz. le coq du village.—2, 1. specken, spicken, feist machen—2, 2. verstaghet für verstaet: versteht was ich meine—3, 1. luilic werken, faullenzen—vromelic broesen, tüchtig in Saus und Braus leben—3, 3. croes, Krug, Krause—4, 1. Noiwerc, noit werc, niemals Arbeit—4, 4. leechdom d. i. ledichdom, Müssiggang—5, 1. Luijaert, Faullenzer (etwa Sanct Faulhart)—om draghen umtragen wie man die Bilder der Heiligen bei Processionen trägt—5, 4. Reinuits, rein uit, trink rein aus—bestieren, regieren, leiten—6, 1. schip, Anspielung auf eine Geschichte wie die Wiener Meerfahrt—6, 2. luisich, leusich, losich, lässig, faul—6, 3. ghilde, gulde, Trinkgesellschaft der Zunftgenossen—6, 4. wat cruits scheint mir: etwas Geld d. h. bei jedem Zuge werde ich etwas reicher, cruis eigentlich der Vordertheil der Münze, daher cruis of munte werpen dann die Münze selbst, wie aus der Redensart bei Plantin noch hervorgeht: cruis noch heller, croix ne pile, ne obolus quidem.
¶ Nr. 169.
Wie man’s treibt, so geht’s.
1Gheldeloos, ghi doet mi pijn,
al mijn vreucht doet ghi verdroghen!
ic soude so gaerne vrolijc sijn,
woudt minen buidel ghedoghen.
2Het was mi van te voren gheseit,
ic en wouder niet nae horen.
hadde ic een pennincsken wech gheleit,
dat mochte ic nu oorboren.
3Ic plach te sitten op die bierbanc:
waer is den tijt ghevaren?
al buiten sweechs leit minen ganc,
niet hebben doet veel sparen.
4Doen ic goet gheldeken had in mijn tas,
doen ghinc ic metten goey ghesellen,
mer nu mijn ghelt is al verteert,
nu moet ic boomkens tellen.
5Wanneer ic in die taverne come,
ter tafelen ben ic haest gheseten,
dan make ic mi van achter uit,
dat die goey ghesellekens niet en weten.
6Pot ende canne het is al verteert,
waer sal ics meer gaen halen?
die vrouwe die mi te borghen plach
die moet ic nu wel betalen.
7Eten ende drinken is mijn motijf:
te sitten metten vollen balghe,
als ict ghebrenghen can int lijf,
voor die dore en staet gheen galghe.
8Het was mi van te voren gheseit,
ic salder noch langhe op dinken.
als ic mijn buicsken hebbe ghevult,
so gae ic te Walem drinken.
Antw. LB. 1544. Nr. 51.—Dr. 8, 4. duncken (drinken).
¶ 2, 4. oorboren, oorbaren, nützen—4, 2. 5, 4. goey für goede, nach der Volksaussprache—4, 4. d. i. früher konnte ich Geld zählen—5, 3. achter uit, zur Hinterthüre hinaus—7, 1. motijf, Vorsatz—8, 4. Walem, Waelhem in Brabant.
¶ Nr. 170.
Nichts haben heißt sparen.
Ach gheldeloos, ghi doet mi pijn,
ghi doet mijn vreucht verdroghen.
ic sou so gherne vrolic sijn,
mijn beurse wilt niet ghedoghen.
ic plach te sitten bi den banc:
waer is den tijt bevaren?
daer buiten maec ic minen ganc:
niet hebben doet wel sparen.
Livre septième des chansons vulgaires de divers autheurs, à quatre parties, Anvers, P. Phalese (Willems Nr. 238).
¶ 5. banc, die Bank, worauf, u. der Tisch, woran man sitzt, bi den banc, beim Gelage; daher bancbroeder, bancgheselle bancboeve, Trinkgenosse.
¶ Nr. 171.
Immer lustig!
1Ende wil wi tavont ghenoechlic sijn
ende drinken den rijnschen couden wijn!
als dat wintjen wait—
wi willen niet scheiden,
wi willens verbeiden,
als dat haentjen crait.
2Nu wil wi hebben een vrischen moet,
verteren een weinich van onsen goet!
als dat wintjen wait—
wi willen niet scheiden,
wi willens verbeiden,
als dat haentjen crait.
3Och haddic vijfentwintich bedden,
te meie woud icker niet een pluimken van hebben!
als dat wintjen wait—
wi willen niet scheiden,
wi willens verbeiden,
als dat haentjen crait.
4Haddic mijn vrientjen in minen arm,
ware si cout, ic maecte si warm!
als dat wintjen wait—
wi willen niet scheiden,
wi willens verbeiden,
als dat haentjen crait.
Weimar. Hs. 1537. Nr. 42.—Hs. 2, 6. fehlt dat.
¶ 3, 2. pluimken, frz. plume, Federchen.
¶ Nr. 172.
Erst bezahlt und dann gezecht.
1Het wijntje dat is er zoo zoet van smaak,
het heeft er ons aan den drank gemaakt.
den eenen zal men houden, den ander zal men slaan,
wij zullen alle drie met het g’lag door gaan.
2’t Waardinnetje in de kamer quam
met eenen blank zwaard al in haar hand,
met eenen blank zwaardetje en eenen roer,
zoo sprong dat waardinnetje over de vloer.
3Zij zeide: ‘sa gasten, ’t en mag er zoo niet zijn!
voor u en is er geen biertje of geen wijn,
voor u en is er geen biertje of geen wijn,
of daar moest eerst een goudguldentje zijn.’
4De jongste in zijn binnebeursje schoot,
hij haalde daar uit drie kroonen waren rood,
hij haalde daar uit drie kroonen waren rood,
die worp hij ’t waardintje in haar schoot.
5Hij zeide: ‘waardinnetje, daar is er jouw geld!
’t isser niet te veel, maar ’t isser wel geteld,
’t isser niet te veel, maar ’t isser wel genoeg:
kom, laat er ons drinken tot morgen vroeg!’
Holländisch: Thirsis Minnewit 1. D. bl. 106.
¶ Nr. 173.
Wein Medicin allein.
1In de eeuw van Adams tijden
was den wijngaard onbekend:
niemand kon de ranke snijden,
wijngaardswerk was niet bekend.
nu weet men de konst te vinden
van het snijden en het binden,
wijn wijn wijn is medicijn,
wijn doet ons nu vrolijk zijn.
2Men zag haast aan alle kanten
van des werelds druiven zoet,
ieder een die ging hem planten
aan de zoete watervloed,
om te mengen hun verheugen,
om te drinken groote teugen,
wijn wijn wijn is medicijn,
wijn doet ons nu vrolijk zijn.
3Wijn is goed voor vieze grieken,
die in ’t voorhoofd zijn gewond;
wijn is dienstig voor veel zieken,
en ook voor die zijn gezond;
wijn doet zingen, wijn doet springen,
wijn doet al te bedde bringen,
wijn wijn wijn is medicijn,
wijn doet ons nu vrolijk zijn.
4Wijn is goed voor veel gebreken,
is den stok van d’ ouderdom,
wijn die doet de stemme spreken,
groote klappers maakt hij stom,
wijn doet veelderhande dingen,
wijn doet dansen, wijn doet springen,
wijn wijn wijn is medicijn,
wijn doet ons nu vrolijk zijn.
5Wijn stelt zeer veel instrumenten,
wijn doet pijp ensnaaren slaan;
speelmans, messieurs, studenten,
sangers, kosters, kapelaan
laten hooren hunne stemmen,
als in wijn hun tongen zwemmen,
wijn wijn wijn is medicijn,
wijn doet ons nu vrolik zijn.
6Wijn is goed voor de zoldaten,
wijn is goed voor advocaten,
want hij d’ herssens open doet.
wijn doet al de wereld dansen,
Duitsen, Waalen, Geuzen, Fransen,
paap, non, quezel en bagijn,
wijn die doet ons vrolik zijn.
7Wilt gij eenen vriend tracteeren
aan de tafel of den dis,
gij zult voor een vrek passeeren,
zoo daar geenen wijn en is.
wilt gij een gezondheid drinken,
zonder wijn en zal ’t niet klinken.
wijn wijn wijn is medicijn,
wijn die doet ons vrolijk zijn.
8Oorlof, wagt u wel van ’t drinken!
schenkt de roemer niet te vol!
’t zop mogt in uw voeten zinken
en dan maakt het herssensdol
en doet roepen als de knoeten:
ach mijn handen! ach mijn voeten!
maatig wijn is medicijn,
maar te veel dat is vernijn.
Holländisch: Thirsis Minnewit 1. D. bl. 53. Der Druck hat 5, 6. Als hun tong in de wyn swemme.
¶ 1, 2. wijngaard, Weinstock—2, 5. verheugen, Vergnügen—3, 1. vies, wunderlich, grillenhaft—5, 1. stellen, in Gang bringen—5, 2. snaar, Saite—6, 4. herssens, jetzt de harssenen, Gehirn—6, 6. Geus, Bettler, ursprünglich Spottbenennung der Reformierten—6, 7. quezel, Betschwester—7, 2. dis für disch—7, 3. vrek, Filz, Geizhals—8, 2. roemer, Römerglas—8, 5. knoet, Lümmel, Flegel, Tölpel, dasselbe was heutiges Tages noch in der Studentensprache Knote, obschon zunächst nur der Handwerksgesell so genannt wird—8, 8. vernijn für venijn, venenum, Gift.
¶ Nr. 174.
Tabakslied.
1Isser iemand uit Oostindien gekomen,
die er wat van weet?
heeft hy daer niet van den toebak vernomen?
geeft my bescheed!
is hy wel goed voor ’s menschen bloed?
of hy deugd doet? zegt het my vroed!
2Al de vroukens zyn er zeer vileinig
tegen den toebak,
en zy achten zyn deugd zeer weinig,
geven hem een lak:
zy zeggen er van, dat daardoor de man
verdroogen kan—is daer iet van?
3Zou de toebak kunnen doen verdooven
der mannen vuer?
d’ Indiaensche vrouwkens hem wel gedoogen
dag ende uer.
al even koen haer mans daer doen
avond en noen ’t vrouwensermoen.
4Toebak drinken is een goed medecyne:
stelt u te vreê!
d’ asschen is goed voor de tandepyne,
wryft ze daer meê!
zoo is den rook voor den man ook,
al is ’t maer smook, beter dan look.
5Alle dingen doet in goede maten
naer ’s wyfs bevel!
al te veel waer’ zeker beter gelaten,
dat weten wy wel.
zoo drinkt dan hier naer uw pleizier
een pyp of vier by wyn of bier!
Vlämisch. Dies Tabakslied ist nicht so jung wie es aussieht: es stammt mindestens aus dem zweiten Jahrzehend des 17. Jahrhunderts. Willems Nr. 60 entlehnte es aus einem handschriftlichen Liedekensboek met emblemata vom J. 1635. Der Anfang kommt zur Bezeichnung der Melodie bereits vor in Nederlandtsche Gedenck-clanck. Door Adrianum Valerium (Tot Haerlem 1626. 4o.) bl. 164. Damals wurde erst das Tabakrauchen allgemeiner, seit englische Kriegsvölker im J. 1620 aus ihren kleinen irdenen Pfeifen rauchend Holland durchzogen waren. S. Rusdorf, Consilia et negotia politica p. 284.
¶ 1, 6. vroed zeggen, kundthun—2, 1. vileinig, garstig, aufgebracht, das frz. vilain—2, 4. lak geven, eins anhängen—3, 1. verdooven, dämpfen, schwächen—3, 3. gedoogen, erlauben—4, 1. toebak drinken, so auch in Deutschland früher, und noch jetzt in vielen Gegenden des Südens, im baier. Gebirge (Schmeller Wb. 1, 493.), im badischen Oberlande (Hebel’s allemann. Gedichte). Wie wir jetzt rauchen u. schmauchen sagen, so die Holländer rooken en smooken—4, 3. tandepyn, Zahnschmerz—4, 4. wryven, reiben.
¶ Nr. 175.
Bauernlied.
1Wy boeren en boerinnen,
wy werken dag en nacht,
wy ploegen en wy spinnen,
en wy zingen uit ons magt:
Lieve heer, kost en kleêr,
hemelryk, en dan niet meer!
2Wy spitten en wy spaeyen
geheele dagen lang,
wy zaeyen en wy maeyen
in groot geneugt met dezen zang:
Lieve heer, kost en kleêr,
hemelryk, en dan niet meer!
3Wy eeten alle dagen
’s morgens boekweite-pap,
zoo vullen wy ons magen
en wy zingen even rap:
Lieve heer, kost en kleêr,
4Wy eeten zoete boter,
melk is voor onzen dorst,
dan zyn wy veel devoter
en wy zingen uiter borst:
Lieve heer, kost en kleêr,
hemelryk, en dan niet meer!
5Wy decken zelden tafel,
een stuxken uit ons hand
dat smaekt ons als een wafel
en wy zingen langs den kant:
Lieve heer, kost en kleêr,
hemelryk, en dan niet meer!
Vlämisch: Passi, Paesch, en Pinxter-gezangen enz. t’ Amsterdam 1722. blz. 97. Aus dem 17. Jahrh. Steht unter den “Stigtelyke Wereltsche Liedekens”, mit der Weise “Lantur lu”.
¶ 2, 1. spitten en spaeyen, spaden, das Land umgraben—3, 2. boekweite-pap, Buchweizenbrei—3, 4. rap, flink—5, 4. langs den kant, am Ufer entlang.
Der Text bei Willems Nr. 242, dessen Quelle von ihm nicht angegeben worden, hat sieben Strophen, für Str. 3. diese:
Wy gaen met houten blokken,
en dikwils zonder hoed;
wy gaen met pye zokken,
maer wy zingen wel gemoed:
geef, lieve heer, enz.
und am Schlusse noch folgende zwei:
Wy gaen een pintje drinken
des zondags naer de noen;
wy dansen en wy klinken
en wy zingen in het groen:
geef, lieve heer, enz.
Gy edel en gy ryken,
wy zeggen ’t u zeer vry:
wy willen u niet wyken,
gy en zingt niet half zoo bly:
geef, lieve heer, enz.
Alle drei Strophen wol spätere Zusätze. In: De alder-nieuwste Leyssem-liedekens, Antw. Verhulst 1684 hat das Lied acht Strophen, vgl. Snellaert bei Willems bl. 503.
¶ Nr. 176.
Vivat der Bettelsack!
1Veel geld, veel goed, wat zou dat baten?
het geeft bekommernis, een ongerust gemoed.
wat baten pracht en hooge staten,
daer men ’t toch al verlaten moet?
ik houw my vast aen minder last,
het kleinste pak is myn gemak.
vivat den bedelzak!
2De schooyers leven zonder zorgen,
het is al zuiver winst wat zy tot ’s avonds doen.
zy slapen rustig tot den morgen,
al noemt men hem schavuit, kapoen.
zy leven vast in kleinen last,
het minste pak is hun gemak.
vivat den bedelzak!
3De beedlaers stellen druk bezyen,
geen angst, geen bange zorg en steekt in hunnen kop,
zy zien door niemand zich benyen,
zy teeren daglyks alles op.
zy hebben vast den minsten last,
het kleinste pak, het grootst gemak.
vivat den bedelzak!
Vlämisch: Willems Nr. 240, ohne Angabe der Quelle. Stammt aus neuerer Zeit.
¶ 1, 1. baten, nützen—1, 3. staten, Stände—2, 1. schooyer, Bettler—2, 3. rustig, ruhig—2, 4. schavuit, eigentlich Schuhu, dann Lumpenkerl—kapoen, Capaun, wahrscheinlich mit einer verächtlichen Nebenbedeutung wie im Deutschen—3, 1. druk, Ungemach—bezyen, by zyden, bei Seite.
¶ Nr. 177.
Danklied.
1Nu laat ons allegaâr dankbaar zijn
ons heer, ons god, ons vader,
die ons alhier van brood, van wijn
verzaâd heeft allegader,
van vlees, van vis, van ander spijs,
bereid zoo menigerhande wijs!
bemint hem in dit leven!
hij zal u niet begeven.
2Den zoone gods gebenedijd,
die willen wij mede loven,
die ons van zonden heeft bevrijd,
toen wij waren verschoven,
die ons zoo minlijk heeft verzaâd,
en in der nood niet af en gaat,
op hem zet uw betrouwen,
’t en zal u niet berouwen.
3Zoo danken wij ook den heiligen geest,
van zijnder visitatie,
want had hij bij ons niet geweest,
ons vreugd was tribulatie;
hij is ons trooster in verdriet,
zonder hem en vermogen wij niet.
wilt hem uw hert bereiden,
hij zal niet van u scheiden.
4Zoo danken wij onze lieve bruid,
dat zij bij ons wil blijven,
en drinken dit bekerken nog eens uit,
die heer die wil ’t al op mij schrijven.
den boog mag niet gespannen staan,
ik hoop het zal ons wel vergaan,
’t is nu geen tijd van scheiden,
wij willen ons gaan vermeiden.
5Die waard willen wij danken zeer,
dat hij heeft laten koken;
hij heeft zoo wel bewaard zijn eer,
want ons heeft niet ontbroken.
zoo bidden wij dit gezelschap zoet,
vrolijk te wezen met herten vroed.
dat wij hier zijn gekomen,
dat wordt in dank genomen.
6Zoo willen wij ook vergeten niet
die van hier zijn gescheiden,
datze den heer uit alle verdriet
in zijn rijk wil geleiden.
zoo als wij doen zal ons geschien,
wanneer wij uit dit leven vlien.
hierom zoo wilt voor dezen
een Paternoster lezen.
Holländisch: Thirsis Minnewit III. D. bl. 113. und Passi gezangen, Amsterd. 1712, worin Str. 4. fehlt, jedoch einige bessere Lesarten sind, die ich daraus entlehnt habe. Passi gezangen: 1, 7. und 8. waer van wy hem nu zeere danken met grooter eere.—Minnewit: 6, 7. 8. daarom zoo wilt na dezen wel doen en vrolijk wezen. Schon die Überschrift “oud gracy lied” zeigt an, dass es ein altes Lied ist. Es wurde wahrscheinlich zu Ende des Hochzeitschmauses gesungen.
¶ 2, 4. verschoven, verstoßen—4, 5. der Bogen kann nicht gespannt stehen, sprichw. d. h. man kann nicht immer arbeiten—5, 6. vroed, verständig.
¶ Nr. 178.
Bauer, sei klug und bleib bei deinem Pflug!
1‘Sidi een crigher oft sidi een boer?
hoe siedi uit uwer cappen so suer?
wildi een crijchsman werden,
so neemt vijfhondert gulden met u!
den crijch sal ic u leren.’
2Hansken swoer enen dieren eet:
‘al waert mijn vader ende moeder leet,
den crijch en sal ic niet laten:
ic wil gaen ruiten, roven, stichten brant
al op des heren straten.’
3Hansken dede sijns selfs raet,
hi vercochte caf ende haversaet,
hi woude al nae den crighe;
corte cleideren dede hi aen
al nae die ruitersche ghise.
4Hi clopte voor een schipmans dore:
‘sidi daer binnen, so comter vore
ende voert mi overt water!
ic ben een rijc boermans sone,
den crijch en can ic niet ghelaten.’
5Die schipper was een goet ghesel,
hi voerde hem overt water snel,
dat water was onghehure:
‘rijc god, waer ic thuis ghebleven
in mijns vaders schure!’
6Doen Hansken quam ter halver see,
sijn hooft dede hem so wee,
den coop was hem berouwen:
‘rijc god, waer ic thuis ghebleven!
mijns vaders acker woude ic bouwen.’
7Doen Hansken over dat water quam,
een stroom in sinen bec dat hi vernam,
doen wast hem seer berouwen:
‘haddic den ploechsteert metter hant,
mijns vaders acker soude ic wel bouwen!’
Antw. LB. 1544. Nr. 13. (Uhland Nr. 171. C. Willems Nr. 103.)—Dr. 1, 1. Bistu (Sidi)—bistu (sidi)—1, 3. crijschman—zijn (werden)—3, 2. haueraet—4, 2. Bistu (sidi)—5, 3. ongeduere—5, 4. tsoheyme (thuis)—6, 4. tsoheyme (thuis)—7, 2. stram (Uhland scram) (stroom.)
Ursprünglich ein niederdeutsches Lied, vgl. Uhland Nr. 171. A. nach einem Fl. Bl. in Bragur 2, 312. ff., das auch wol schon früh hochdeutsch vorhanden war. Daher erklären sich dann die deutschen Wörter bistu, zeheime und das 5, 3. missverstandene ungeheure.
¶ 2, 4. ruiten ende roven, eine im 16. Jahrh. gewöhnliche Redensart: verwüsten, plündern und rauben, vgl. Kiliaen—3, 5. ghise, frz. guise, Weise—5, 3. onghehure, mhd. ungehiure (im Nd. dat mêr gans ungehuͤre), unheimlich—7, 2. einen Strom in seinem Maul (bec, Schnabel, Maul) er verspürte, d. h. er wurde seekrank. strâm im Nd. dasselbe was strôm.
¶ Nr. 179.
Der Kuckuck und die Nachtigall.
1De koekoek in den mei
die hoorde den nachtegael fluiten
en op zyn stemmeken tuiten.
hy zeî: ‘gy klein gebras!
5wat komt al dit stoffen te pas?
gy zyt hoveerdig,
myn stem is ook weerdig
geprezen, maer ziet, ik en roem daerop niet.
dus zwygt, dus zwygt, dus zwygt,
10eer dat gy van my veel verwytingen krygt!’
maer de nachtegael sprak:
‘koekoek, houdt uw gemak!
want gy zyt tegen my veel te zwak.
als ik kom tierelieren,
15verheugen zich menschen en dieren,
maer gy, maer gy, maer gy,
’t is koekoek! geheel de maend mei,
maer gy, maer gy, maer gy
maekt niet éen vogelken bly;
20al die u aenhooren, die zouden zich stooren.
dus kruipt in den hoek, gy droeve koekoek!
of als ge uw bek nog niet en stilt
en dat ge u voor my niet vernederen wilt,
zoo roep ik de vogels te gaêr,
25om ons te vonnissen onder malkaêr.
welaen! welaen! welaen!’
die koekoek die sprak: ‘zoo gezeid, zoo gedaen!’
2De vogels kwamen te saêm,
en als zy nu waren gezeten,
zoo liet men den nachtegael weten,
dat hy met zyn stemmeken gauw
5het eerste kauwetteren zou.
hy zong met veel iever,
hoe langer hoe liever,
hy miek met zyn bek menig aerdigen trek.
hy zong, hy klong, hy sprong,
10hy draeide zyn steertjen en wrong zyne tong.
maer de koekoek op ’t lest
deed ook wonder zyn best,
doch ’t en was niet als koekoek! koekoek!
’t was koekoek! ’t een op het ander,
15de vogels bezagen malkander,
maer ziet, maer ziet, maer ziet,
’t was koekoek! en anders ook niet.
maer ziet, maer ziet, maer ziet,
zy kregen op ’t leste verdriet.
20de koekoek was bly, want hy meende dat hy
al de vogels getrokken had op zyne zy’.
het vonnis was dat de nachtegael
was fraeyer van toonen en zoeter van tael,
maer ’t koekoeksken van over lang
25vaster in maet en kloeker in zang.
hier meê, hier meê, hier meê
vertrok elk vogelken naer zyne steê
en zoo was alles in vreê.
Vlämisch: Willems Nr. 258. Obschon sehr künstlich und schwerlich je im Munde des Volks, doch sehr volksthümlich. Der Dichter hat, wie es scheint, den Streit der Harmoniker u. Melodiker zu schlichten versuchen wollen. In einem deutschen Liede des 16. Jahrh. nimmt die Sache eine andere Wendung, da ist zwischen Nachtigall u. Kuckuck der Esel Richter.
Der Kuckuck drauf anfing geschwind:
Kuckuck! sein Gsang durch Terz, Quart, Quint,
Und thät die Noten brechen;
Er lacht auch drein nach seiner Art.
Dem Esel gfiels, er sagt: ‘nun wart,
Ein Urtheil will ich sprechen.
Wohl sungen hast du, Nachtigall;
Aber, Kuckuck, du singst Choral
Und hältst den Takt fein innen.
Das sprich ich nach meim hohn Verstand,
Und kostets gleich ein ganzes Land,
So lass ich dichs gewinnen.’
S. meine Gesellschaftslieder Nr. 178.
¶ 1, 4. klein gebras, etwa: armer Wicht—1, 5. stoffen, großthun—1, 10. verwytingen, Zurechtweisung—1, 12. zyn gemak houden, sich still verhalten—1, 20. stooren, erzürnen—1, 25. vonnissen, Urtheil sprechen—2, 5. kauwetteren, kauwetten, schmettern—2, 8. miek für maekte, so biek für bakte—2, 10. wringen, winden—2, 24. van over lang, bei weitem—2, 27. vertrekken, heim gehen.
¶ Nr. 180.
Der Riese geht um.
(De reus gaet om.)
1Die zeidt: wy zyn van reuzen gekomen,
zy liegen daer om.
keert u eens om, reusken, reusken!
keert u eens om, reuseblom!
2Sa moeder, zet den pot op ’t vier!
de reus is hier.
keert u eens om, reusken, reusken!
keert u eens om, reuseblom!
3Sa moeder, snydt een boterham!
de reus is gram.
keert u eens om, reusken, reusken!
keert u eens om, reuseblom!
4Sa moeder, tapt van ’t beste bier!
keert u eens om, reusken, reusken!
keert u eens om, reuseblom!
5Sa moeder, stopt nu maer het vat!
de reus is zat.
keert u eens om, reusken, reusken!
keert u eens om, reuseblom!
Vlämisch: Willems Nr. 128. mit folgender Anmerkung: ‘Dies Lied wurde seit undenklichen Zeiten gesungen; jetzt hört man es besonders bei großen Feierlichkeiten, wenn bei den Umgängen in meist allen Städten, sogar in einigen Dörfern Ostflanderns u. Brabants das Volk den Riesen umherführt. Die berühmtesten Riesen sind die von Antwerpen und Wetteren. Zu Kortryk erscheint von Zeit zu Zeit mit großem Gepränge eine Riesin, Mevrouw van Amazonië, doch man kennt dort das Lied nicht. Diese Gewohnheit kann wol zusammenhangen mit der Überlieferung dass wir von Riesen abstammen, worüber man Picardt, Oudheden van Drenthe bl. 28 zu Rathe ziehen kann.’
Den Antwerpener Riesen beschreibt mir mein Freund Preller, der ihn oft gesehen hat, also: es ist ein riesiger Mann von Holz in Tracht eines römischen Feldherrn mit Helm und Schuppenharnisch, bloßen Armen und Beinen, in sitzender Stellung auf einer Art Triumphwagen im Rococo-styl. Der Kopf ist beweglich u. wird von einem Kerl im Innern des Bildes gedreht.
Die von Willems gegebene Variante des Kehrreims u. der ersten Strophe scheint mir der ursprüngliche Text zu sein, Willems hat dafür:
Al die daer zeidt: de Reus die kom’!
zy liegen daer om.
keere weêrom, Reusken, Reusken!
keere weêrom, reuzegom!
Das reuzegom wol nur selbstgemacht, obschon es wie bruidegom (ahd. gomo, Mann) vorkommen könnte!
¶ 3, 1. boterham, Butterbrot—4, 2. gier, begierig—5, 2. zat, trunken.
¶ Nr. 181.
Martinslied.
1Martijn!
turref in de murref in de maaneschijn,
gooi in de mos, gooi in de wijn!
hier woont sunte Martijn.
2Martijn had een schaartje,
dat wou niet knippen,
Martijn had een messie,
dat wou niet snijen,
Martijn had een touwetje,
dat wou niet knoopen.
geef me-n-een turrefie of een houtjen
en laat me daarmeê loopen.
3Hier woont ’n rijkman,
die veul geven kan,
veul kan i geven,
zalig zel i leven,
zalig zel i sterreven,
de hemel zal i erreven,
god zal em loonen
met honderdduizend kroonen,
met honderdduizend rokkies an!
hier komt sunte Martijn an.
Holländisch: De Navorscher 1. jaarg. bl. 64. So sangen sonst die Kinder zu Amsterdam in den ersten Tagen des Novembers vor den Thüren und sammelten Torf und Holz und Geld. Am Martinstage zündeten sie dann ein Feuer an, wobei sie tanzten und sangen. In Leiden lautete das Lied (Navorscher 1. jaarg. bl. 227):
Sinte Maarten is zoo koud,
geef m’een turfjen of een hout,
om mij wat te warremen
met mijn blanken arremen!
geef wat, houd wat!
’t ander jaartje weêr wat.
Wenn sie nichts bekamen, sangen sie:
Een zakje met zemelen,
een zakje met kruid—
hangt de gierige duivel uit.
Neben dem Amsterd. u. Leidener Texte wird noch ein anderer mitgetheilt, 10 Zeilen, die sich theilweise in jenen wiederfinden, Navorscher 1. jaarg. bl. 9.
¶ 1, 2. murf, in der Volksspr. Mund—2, 1. schaartje, Scheere—2, 2. knippen, schneiden.
¶ Nr. 182.
Niclasliedchen.
1Sint Niklaas, kapoentje!
leg wat in mijn schoentje!
al wat er niet inne kan,
leg dat dan maar achter an,
achter an dat glaasje!
’k dankje, sint Niklaasje!
2Sint Niklaasje bibabon
gooi wat in de regenton!
gooi wat in de huizen
voor al de ratten en muizen!
geef wat, houd wat!
een ander jaartje weêr wat.
3Sinte Nicolaes, nobele baes,
brengt wat in myn schoentje,
een appeltje of een citroentje,
een nootje om te kraken,
dat zal wat beter smaken,
een pintje om te drinken,
4Sint Niklaas, goed heilig man,
trek je besten tabbert an,
rijd er meê naar Amsterdam,
van Amsterdam naar Spanje,
twee appeltjes van Oranje,
twee peertjes van den besten boom,
’t kind zal hebben een gouden kroon,
een gouden kroon van dokkeblâren,
’t kind zal naar Oost-Inje varen,
van Oost-Inje weêr naar Sluis,
zoo komt dan het kind weêr t’huis.
5Sint Niklaasje, heilig man,
trek je mooije tabbert an,
rijd er meê naar Amsterdam,
van Amsterdam naar Spanje,
drie appeltjes van Oranje,
drie peertjes van een peerenboom,
sint Niklaas is mijn oom.
Hossebosse, paardje,
met jou vlossen staartje:
zóó rijden de heeren
met haar’ bonte kleêren;
zoo rijden de vrouwen
met haar’ bonte mouwen;
zoo rijdt de akkerman
met zijn paardjen achteran.
Nr. 1. 2. 4. 5. aus dem Navorscher 1. jaarg. bl. 361, Nr. 3. aus Wodana bl. 195.
¶ 2, 2. gooijen, schütten—3, 2. schoentje, Schühchen—3, 4. kraken, aufknacken—3, 6. pintje, Mäßchen—4, 2. tabbert, Rock—4, 6. peertje, Birne—4, 8. dokkebladeren, Pestwurzel, cacalia—4, 10. Sluis in Seeland. Für kind der Name des Kindes—5, 8. hossebossen, zuck zuck machen, zuckeln, traben. Im Druck steht hossen blossen paardje—5, 9. vlos, los wie Wolle.
¶ Nr. 183.
Neujahrslied.
1Dag vrouw, dag man, dag al te gaêr!
ik kom u wenschen een nieuw jaer.
deur dik, deur din ik kom loopen:
heb ge niet een wafertje of twee?
ik en gaen ze niet verkoopen.
2’t Is een goed vrouwtje die me dat geeft,
’t is te wenschen dat ze nog ’t naeste jaer leeft.
goed vrouwtje, goed vrouwtje,
heb ge niet een wafertje of twee?
ik steken ze al in mijn mouwtje.
Vlämisch: Chants populaires des Flamands de France, par de Coussemaker Nr. 33. aus Dünkirchen.
¶ 1, 4. wafertje, wafeltje, Waffel—2, 5. mouwtje, Ermel.
¶ Nr. 184.
Ammenlied.
1Daar was er eens een mannetje,
dat was niet wijs,
en die bouwde-n-een huisje
al op het ijs,
en hij wou dat hij een hoentje had.
tjiptjip mijn hennetje,
’s avonds in de korte kooi
en ’s morgens in het rennetje.
2Toen wou hij dat hij een haantje had.
kokkelekaan zoo heet mijn haan,
3Toen wou hij dat hij een schaapje had.
blê heet mijn schaapjé,
kokkelekaan heet mijn haan enz.
4Toen wou hij dat hij een kalf had.
ducdalf zoo heet mijn kalf,
blê heet mijn schaapjé enz.
5Toen wou hij dat hij een koe had.
nametoe zoo heet mijn koe,
ducdalf zoo heet mijn kalf enz.
6Toen wou hij dat hij een paard had.
vlasstaart zoo heet mijn paard,
nametoe zoo heet mijn koe enz.
7Toen wou hij dat hij een wagen had.
welbehagen zoo heet mijn wagen,
vlasstaart zoo heet mijn paard enz.
8Toen wou hij dat hij een knecht had.
alberecht zoo heet mijn knecht,
welbehagen zoo heet mijn wagen enz.
9Toen wou hij dat hij een meid had.
wel bereid zoo heet mijn meid,
alberecht zoo heet mijn knecht enz.
10Toen wou hij dat hij een vrouw had.
zeer getrouw zoo heet mijn vrouw,
wel bereid zoo heet mijn meid enz.
11Toen wou hij dat hij een kind had.
wel bemind zoo heet mijn kind,
zeer getrouw zoo heet mijn vrouw,
wel bereid zoo heet mijn meid,
alberecht zoo heet mijn knecht,
welbehagen zoo heet mijn wagen,
vlasstaart zoo heet mijn paard,
nametoe zoo heet mijn koe,
ducdalf zoo heet mijn kalf,
blê heet mijn schaapjé,
kokkelekaan zoo heet mijn haan,
tjiptjip mijn hennetje,
’s avonds in de korte kooi
en ’s morgens in het rennetje.
Holländisch: De Navorscher 2. jaarg. bl. 90, mündlich aus Aardenburg in Seeland.
¶ 1, 8. rennetje, ein umgitterter Gang für die Hühner, der durch eine Fallthür mit dem Hühnerbehälter (de korte kooi) in Verbindung steht; das Ganze heißt het kippenhok—4, 2. ducdalf, Duc d’Alba—5, 2. nametoe d. i. na mij toe, nach mir zu, komm zu mir!—6, 2. vlasstaart, Flachsschweif—8, 2. al berecht, richte alles aus!
¶ Nr. 185.
Weihnachtslied.
1O nacht, o blyde nacht,
o nacht vol wonderheden!
Messias, lang verwacht,
komt nu tot ons getreden.
hy omkleedt zynen troon,
hy komt uit ’s hemels woon
hier op het aerdsche dal
voor onze zonden al.
2Maria, zuivre maegd,
in weenen en in zuchten
heeft naer logiest gevraegd,
ze en wiste niet waer vlugten:
in Bethleëm in den stal
voor ons verlossing al
gebaerd heeft een klein kind
in grooten kouden wind.
3Joseph heeft dan met vlyt
voor onzen grooten koning
een krebbeken bereid
al in een beesten woning.
op een weinig hooi en strooi
tusschen ezel en koei
lag ’t kindje Emmanuël,
4De herderkens verheugd
van vreugde zy opsprongen,
zy hebben daer met vreugd
den Gloria gezongen.
drie koningen van ver,
gekomen door een ster,
zy hebben met ootmoed
het kindeken gegroet.
Vlämisch: Willems Nr. 191, wird noch jetzt gesungen zur Weihnachtszeit in der Umgegend von Gent.
¶ Nr. 186.
Weihnachtslied.
1In ’t stalleken van Bethlehem
is deze nagt geboren
den koning van Jerusalem,
Messias uitverkoren;
hy leit in hooi, hy leit in strooi,
in doekskens klein gewonden,
o mensch, om uwe zonden.
2De engels zingen met jolyt:
den grooten heer der heeren
zy glorie nu en t’ aller tyt,
wilt zynen lof vermeeren.
komt, lieven mensch, want uwen wensch
die is geheel vol komen,
uw zond wordt weg genomen.
3Gaet met de herders vlytelyk
dit kleine kind aenbidden
en zoekt geen uitvlugt arm of ryk,
ziet god leit in een kribbe
u eeuwelyk te geven,
daer gy altyd zult leven.
Vlämisch: Oude en nieuwe lof-sangen, t’ Amst. 1718. blz. 52.
¶ 2, 6. vol komen, erfüllt.
¶ Nr. 187.
Weihnachtslied.
1Maria die zoude naer Bethlehem gaen,
kersavond voor den noene,
sint Joseph zoud al met haer gaen,
om haer gezelschap te houden.
2Het hageld’, het sneeuwde, het maekte kwaed weêr,
de rym lag op de daken,
sint Joseph tegen Maria sprak:
‘Maria, wat zullen wy maken?’
3Maria die zeî: ‘ik bender zoo moê,
laet ons een weinig rusten!
laet ons een weinig verder gaen,
aen een huizeken zullen wy rusten!’
4Zy kwamen een weinig verder gegaen
tot aen een boereschure,
waer heere Jesus geboren werd,
en zy sloten noch vensters noch deuren,
5Sint Joseph die moeste om waterken gaen,
en de Leye was toe vervrozen
. . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . .
6Cecilia kwam daer gegaen
al met haer handekens reine,
zy sloeg haer oogen ten hemelwaert
als zy hoorde dat kleen kindje weenen.
7Dat kleen kindje weende op Marias schoot,
komt engels van hier boven!
komt, kroont dees maegd, ’t is meer als tijd,
want zy heeft er den heere ontvangen.
Vlämisch: mündlich aus Kortryk, wo es noch jedes Jahr auf den Straßen gesungen wird, Willems Nr. 189.
¶ 1, 4. gezelschap houden, Gesellschaft leisten. Das ou klingt in den westl. Gegenden wie oe—2, 2, rym, Reif—5, 2. Leye, Fluss in Flandern.
¶ Nr. 188.
Weihnachtslied.
1Laet uw schaepkens, herderkens,
hoort de stem van d’ engelkens!
zy verkonden met hun monden
u voorwaer hier de alderbeste maer.
2Sa dan, spoedt u naer den stal
by den grooten god van al!
wilt hem zoeken daer in doeken,
herderkens want god is geworden mensch!
3Herderinnekens, spoedt u wat,
trekt naer Bethlehem naer de stad!
een verkoren kind geboren
in de nacht, hier zoo lang van u verwacht.
4Komt met zuiker, brood en zaen!
wilt wat pappeken maken gaen!
herderinne, treed dog binne
by het kind! want het u zoo zeer bemint.
5Ach hoe is het hier gesteld!
hier en is geen brood nog geld.
ach de leden zyn doorsneden
van dit kind door het snyden van de wind!
6Die het al geschapen heeft
hier van groote koude beeft,
god den heere zonder kleêre
in het hooi leit hier op een bussel strooi.
7Ziet het os en ’t ezelken
ziet het beven, zuchtjens geven
in dees kou en daer en is vier nog schouw.
8Corydon, och lieven maet,
wel wat hout dog kappen gaet!
haelt dog torven met heel korven!
ras brengt hout! want dat kindjen is zoo koud.
9Amarillis stookt wat vier!
want het veel te koud is hier.
haelt wat kolen, ’t is u bevolen,
ras komt aen! want men ’t kind moet bakeren gaen.
10Nymphkens die zoo zeer bemind,
komt, wermt de doekjens van het kind!
komt gy lieden, pappeken zieden!
komt ras aen! Joseph zal het roeren gaen.
11Brengt een wiegsken uit de stad,
en komt wiegt het kindjen wat!
uwen heere kryt zoo zeere.
zingt sa sa, Jesus kindjen na na na!
12O gy lieve moederken,
geeft hem dog een mammeken!
ziet het dorsten naer uw borsten,
zuiver maegd, want zyn hertjen naer u jaegt.
13Oorlof Jesus, liefste kind,
die zoo zeer den mensch bemint,
wilt ons geven in dit leven
nu te gaer een goed zalig nieuwe jaer!
Vlämisch: Oude ende Nieuwe Lof-sangen, Amst. 1718. bl. 45–47. Aus dem 17. Jahrh.
¶ 1, 4. maer, maere, Botschaft—4, 1. zaen, Sahne, Schmant, Rahm—7, 4. schouw, Schornstein, Kamin—8, 1. maet, Geselle—8, 2. kappen, abhauen—9, 1. vier stooken, Feuer anmachen—9, 4. het kind bakeren, das Kind in Windeln wickeln, erwärmen—11, 3. kryten, schreien.
¶ Nr. 189.
Weihnachtslied.
1Maekt plaets, o herderkens, komt uit den stal!
ziet eens uit oostland dit groot getal!
’t loopt al naer Bethlehem al nae den stal.
ziet de dry koningen met groot getal!
de sterr’ op ’t kribbeken blyft stille staen,
en zy schamen hun niet in te gaen.
wellekom, koningen, wellekom al,
wellekom, wellekom in dezen stal!
doet offerhanden en laet wierook branden
voor ’t kindeken zoet!
het zal ’t u loonen met eeuwige kroonen
voor tydelyk goed.
wellekom, koningen, wellekom al!
wellekom, wellekom in dezen stal!
2Haer kroonen worpen zy voor ’t kindeken,
de voetjens kussen zy aen ’t kribbeken.
en zeggen: wellekom in ’t stalleken!
het kleine kindeken dat lacht hun aen.
ziet hoe het grabbelt in de gulde schael!
ziet eens hoe vlytig dat zyn oogskens staen!
wellekom, koningen, wellekom al enz.
3Naer d’offerhande ziet het kindeken
geeft zynen zegen aen de koningen
met zyn gebenedyd handeken;
daer naer het keert hem om, het krege dorst,
het worpt hem aen zyn moedersborst,
trekt daer een teugsken uit voor zynen dorst.
de koningen ziende het zuigende kind,
zy roepen: den koning, den koning drinkt!
den stal is vol vreugden, en iegelyk zingt:
den koning die drinkt!
wilt u ook verheugen en zingen met vreugden:
den koning die drinkt!
den koning die drinkt! den koning die drinkt!
den koning die drinkt! den koning die drinkt!
Vlämisch: De alder-nieuwste Leyssem Liedekens, Antw. 1684. bl. 51. Oude en Nieuwe Lof-sangen, Amst. 1718. bl. 39. (danach bei Willems Nr. 203.)
Ob das: Den koning die drinkt, eine tiefere Bedeutung hat, weiß ich nicht. Bei dem folgenden Liede findet sich folgende Anmerkung: “Deslyons, Doctoor der Sorbonne, schreef een geleerd tractaet: Paganisme du roi boit. In de Gazette van Gent stond voor eenigen tyd een feuilleton: Oorsprong van: Den koning drinkt.”
¶ Nr. 190.
Unser König trinkt.
1Wy zyn dry koningen ryk aen magt,
en wy gaen zoeken dag en nacht
al over berg en over dal,
om te vinden waer wy van wisten,
regt over berg en over dal,
om te vinden den god van al.
2Jaspar, Melchior, Balthasar
kwamen by dit kindeken daer;
zy knielden met ootmoed,
offeranden, wierrook branden,
zy knielden met ootmoed
voor dit kindeken Jesuken zoet.
3Geheel de stal die was vol vreê,
’t kindeken en de beestekens meê.
dan roepen zy dat ’t klinkt:
vivat, vivat, vivat!
dan roepen zy dat ’t klinkt:
vivat, vivat! onze koning drinkt!
Vlämisch: Wolf’s Wodana bl. 187. 188. mündlich.
¶ Nr. 191.
Weihnachtslied.
1Dry koningen groot van macht
reizende by dag en nacht
door bergen en bosch en dal,
om te zoeken in de hoeken
door bergen en bosch en dal,
om te zoeken den heer van al.
2Gaspard, Melchior, Balthazar,
dry koningen al te gaêr,
ze gingen al met ootmoed
met offranden, wierook branden,
ze gingen al met ootmoed
met offrand voor ’t kindje zoet.
3Zoete kindje, weet je wel,
in dees winters koude fel
wie dat er voor de deure staet?
’t zyn dry koningen met belooningen,
wie dat er voor de deure staet?
zeg, dat ze maer binnen gaen.
4Komt maer binnen, komt maer in!
’t gaet wel naer ’t Jesuken zin.
’t Jesuke die lacht en grimt,
ziet dat schaepje, ’t eet wel papje!
’t Jesuke die lacht en grimt,
’t Jesuke is een zoete kind.
5’t Joseph maekt uw keuksken net,
vaegt uw vloerken, maekt uw bed,
maekt dat zoete, zoete, zoet,
hooi en strooi, vive le roi!
maekt dat zoete, zoete, zoet,
maekt dat mooi om ’t kindje zoet.
Vlämisch: de Coussemaker, Chants populaires Nr. 31, mündlich aus Dünkirchen.
¶ Nr. 192.
Dreikönigslied.
1Daer kwamen dry koningen uit verre landen,
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
om god te doen een offerande.
doen waren zy vro.
2Zy kwamen van oosten, zy kwamen van verre,
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
al door de klaerheid van eender sterre.
des waren zy vro.
3Maer toen zy binnen Jerusalem kwamen,
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
de klaerheid der sterre zy niet vernamen.
des waren zy droef.
4Toen zy over tafel waren gezeten,
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
toen kwam gods engel al in secreten.
des waren zy vro.
5Gy heeren en moget niet langer beiden!
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
Herodes die doet zyn peerd bereiden.
des waren zy droef.
6Wel op, gy heeren, laet staen uw eten!
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
Herodes is op zyn peerd gezeten.
des waren zy droef.
7Toen zy buiten Jerusalem kwamen,
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
de klaerheid der sterre zy weder vernamen.
bly waren zy toen.
8Zy volgden de sterre in korten stonden
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
tot Bethlehem, daer zy ’t kindeken vonden.
9Den eenen ging voren den anderen staen,
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
om eerst te komen offeren gaen.
des waren zy vro.
10Zy vielen daer t’saemen op der aerden,
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
zy loofden den koning van grooter waerden.
des waren zy vro.
11Zy offerden myrrhe, wierook en goud,
nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen wy—
zy loofden dat kindeken menigvoud.
des waren zy vro.
Vlämisch: Chants populaires par E. de Coussemaker Nr. 29. mündlich aus Furnes. Dr. 11, 3. menig fonds. Auch in holländ. Gesangbüchern, hie u. da nur etwas abweichend, vgl. Oude en Nieuwere Kerstliederen, bewerkt door Alberd. Thijm Nr. 81.
Aus dem Kehrvers: nu wiegen wy, muss man schließen, dass dies Lied früher in den Kirchen beim sogenannten Kindelwiegen gesungen wurde, s. meine Geschichte des deutschen Kirchenliedes 2. Ausg. S. 416. ff.
¶ Nr. 193.
Dreikönigslied.
1Wij komen getreden met onze starre,
Lauwerier de Cransio
wij zoeken heer Jesus, wij hadden hem gaarne.
Lauwerier de knier
zijn Karels konings kinderen,
Pater bonne Franselijn,
Jeremie.
2Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,
Herodes den koning kwam zelver veur.
3Herodes die sprak met valscher hart:
‘hoe ziet er de jongste van drie zoo zwart?’
4Al is hij wat zwart, hij is wel bekend,
hij is de koning uit Orient.
5Wij kwamen den hoogen berg op gaan,
daar zag men de star zoo stille staan.
6O starre, je moet er zoo stille niet staan,
je moet er met ons na Bethlehem gaan.
7Te Bethlehem inne de schoone stad
daar Maria met haar klein kindeken zat.
8Hoe kleinder kind en hoe grooter god,
een zalig nieuwjaar verleen ons god!
Holländisch: De Marsdrager, of nieuwe Toverlantaren 1754. (Hor. belg. 2, 69). Auch vlämisch vorhanden, s. Snellaert zu Willems bl. 436. Dasselbe Lied, zu 30 Strophen ausgesponnen, in französisch Flandern: Chants populaires par E. de Coussemaker Nr. 28. Dahin gehört auch Nr. 30. daselbst.
Vgl. das deutsche Lied in meiner Geschichte des deutschen Kirchenliedes 2. Ausg. Nr. 259.
¶ Nr. 194.
Dreikönigslied.
1Wij komen hier heen met onze sterre,
wij zoeken heer Jesus, wij hadden zoo gerre.
2Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,
Herodes de koning kwam zelve veur.
3Herodes de koning sprak met een valsch hart:
‘hoe ziet er de jongste van de drieën zoo zwart?’
4Al is hij wat zwart, hij is wel bekend,
het is er de jongste uit Orient,
5Het is er de jongste uit vreemden landen,
daar alle die sterren zoo stil staan branden.
6Wel sterre sta stil en verroer je niet meer,
het is er een teeken van god den heer.
7Wel sterre je moet er zoo stille niet staan,
gij moet er met ons naar Bethlehem gaan,
8Naar Bethlehem die schoone stad,
daar Maria met haar klein kindeke zat.
9Hoe kleinder kind, hoe grooter god,
daar alle de joden meê hebben gespot.
10Wij hebben gezongen al voor dit huis,
geef ons er de penning al met een goed kruis!
11Al is het geen kruis, laat het wezen een munt,
geeft gij er de penning die gij er ons gunt!
Holländisch: De Navorscher 1. jaarg. bl. 169, mündlich aus Noordwijk in Südholland. Kinder singen dies Lied und begleiten es mit Rommelpotten.—Dr. 1, 2. wij zoeken Herodes, wij hebben zoo gerre.
¶ 10, 2. kruis, die rechte, die Vorderseite der Münze, früher meistens mit einem Kreuze bezeichnet; daher kruis oft munte worpen, Kil. und noch jetzt, unser Kopf oder Schrift, frz. jouer à croix ou à pile.
¶ Nr. 195.
Dreikönigslied.
1Caspar, Melchior en Balthazaer,
zy gingen alle drie te gaêr,
maer ’t was om te gaen zoeken
het kindjen in de doeken
liggende in eenen verworpen stal
voor ons groote zondaren al.
2Geheel den stal die was vol vreugd,
alle de beestjens knielden daer neêr,
den ezel en den os
die waren vry en los,
ze warmde dat kindeken
al in zyn teêre ledekens.
Vlämisch: Willems bl. 436, mündlich aus Kortryk durch Snellaert.
¶ Nr. 196.
Weihnachtslied.
1Zijt welkom lang verwachte leeuw
uit Jacob’s, Juda’s groot geslacht geboren,
tot stutting van Jehova’s toren
zoo overlang gewenscht van eeuw tot eeuw!
o werelds heiland groot van macht,
zijt duizendvoudig welkom in der nacht!
de dag ontzag uw komst en is geweken,
de zon verdween en is bezweken,
toen uw schijnsel scheen.
2Zijt welkom licht der middernacht,
voor dat gij ons in ’t duister komt verschijnen
en doet de duisterheid verdwijnen,
en licht ons middagklaar met groote kracht!
zijt welkom Tetragrammaton,
zijt welkom licht, veel meerder als de zon,
zijt nog tien duizend malen wellekomen,
o licht van licht, tot schijn der vromen
in der nacht gesticht!
3Zijt welkom machtig koningszoon,
uit Davids ouden koningsstam gesproten,
beroemdste adel van de grooten,
zijt welkom uit uw vaders hoogen troon!
doet op uw poort, Jerusalem!
uw koning is alreeds te Bethlehem,
’t is David’s rechte nazaat; ziet, uw koning
leit in een stal, geen slechter woning
is er in dit dal.
4Zijt welkom groote wereldsvorst,
zijt welkom die uw slaven komt bezoeken,
gelijk een kind in slechte doeken
omwonden en sober uitgedorst.
helaas! ik heb geen welkom gaaf,
want ziet, ik ben maar uwen armen slaaf
en zijt gij zelf die daar ik moet van leven;
het is mij smart, ’k heb niet te geven
als alleen mijn hart.
5Hoe nu, grootmachtig vorst, hoe nu?
verlaat gij ’t rijk? veracht gij zoo de troonen,
om in mijn hart zoo klein te wonen?
ei, wacht een weinig, bid ik, ’t is te ruw;
ei, laat het eerst uw dienaar zijn
en zuiver maken, ’k zal uw helper zijn.
o wonder, ’t is in weinig oogenblikken
wel na mijn zin—ei, wilt niet schrikken,
komt er nu vrij in!
6Maar ach! helaas! ik ben te slecht,
ik ben niet waardig om zoo grooten koning
t’ ontvangen in zoo slechten woning;
maar ach! ik bid, heb deernis met uw knecht!
ik bid, spreek maar een eenig woord,
opdat het na uw zin mijn ziele hoort!
mijn hart zal door dat woord zoo heerlijk wezen
als geen paleis ooit was voor dezen;
ei, voldoet mijn eisch!
7Nu machtig koning, is ’t bekwaam,
zoo laat mij toe om na ’t geluk te trachten,
u in mijn harte te verwachten!
ei, komt er in, in uwen eigen naam,
ei, zoo mijn vorst, ei, zoo mijn heer!
hoe minlijk doet gij uwes knechts begeer!
hoe kan mij grooter hemelsvreugd ontmoeten?
gij schenkt uw slaaf een hemelszoeten,
ja veel grooter gaaf.
8Zijt welkom vorst Athanatos,
zijt welkom goeden koning Adonia,
zijt welkom vredevorst Sodia,
zijt welkom wereld-heiland Ischyros,
zijt welkom heer Homousion,
zijt welkom grooten Tetragrammaton,
zijt welkom grooten overal-regeerder,
o Emanuël, ja nog veel meerder,
held Ezechiël!
9Gij die des hemels hoog bestier
verlaat om ’t heil der wereldlijke menschen,
die na haer zielen welvaart wenschen,
erbarmt u over mij ellendig dier!
blijft altijd bij mij tot mijn end
en hoedt mij voor des vijands helsch torment!
ei, laat ons door den Satan niet verleiden!
blijft bij ons, heer, opdat wij scheiden
mogen nimmermeer!
10O goddelijke majesteit,
op kersnacht uit een suivre maagd geboren,
die nooit haar maagdom heeft verloren;
o grooten priester in der eeuwigheid,
zijt welkom in uw eigen goed!
wij vallen nu voor uwe krib te voet,
en schoon gij schijnt een kind, o heer der heeren,
gij zijt ons lot, ik wil u eeren
als mijn groote god.
11Gij komt van passe met uw macht,
om in ons hart een vredevuur te stichten
en ons in ’t duister te verlichten;
dat is, o heer, de rechte tijd bij nacht:
de nacht der boosheid door uw licht
verdwijnt en klaart zich, wijl het duister zwicht,
den heldren dageraad die moet verschijnen,
de donkerheid die moet verdwijnen,
wijlze uw schijnsel mijdt.
12Verlicht, o kind van Bethlehem,
ons hart en ziel, ons gansch gemoed en zinnen,
opdat wij u te recht beminnen,
en leid ons in het hoog Jerusalem!
laat in mijn hart uw kribbe zijn,
en blijft in eeuwigheid altijd bij mijn,
laat u de zorg voor mij zijn aanbevolen!
mijn hart is teêr, maar zal niet dolen,
zoo gij ’t hoedt, o heer.
Holländisch: De Smakelyke Vermakelyke Minnebroers Sak, Amsterdam 1799, bl. 125–128.—Dr. 3, 2. fehlt Davids ouden—4, 4. soberlijk (sober)—6, 9. eis—9, 2. wereldsche.
Wie die Perle im Schlamme liegt das reine schöne Lied mitten im Schmutze von Liedern voll der frechsten Gemeinheit und rohesten Sinnlichkeit. Es scheint der Mitte des 17. Jahrhunderts anzugehören und einer besonderen Richtung der religiösen Poesie wie sie etwas früher in Deutschland hervorgerufen wurde durch die beiden wunderbaren Lieder Philipp Nicolai’s vom J. 1598: Wie schön leucht uns der Morgenstern, und: Wachet auf! ruft uns die Stimme. Vgl. Gervinus, Gesch. der deutschen Dichtung 4. Aufl. 3. Bd. S. 37. 38.
Le Jeune, Volkszangen 1828. bl. 41. kennt unser Lied, stellt es aber andern geistlichen gleich, aus denen der Mangel eines guten Geschmacks, besonders wegen Eiumengung fremder Wörter, hervortritt.
Snellaert hat es aus den Hor. belg. 2, 55. aufgenommen bei Willems Nr. 204. In Betreff der griechischen Beiwörter des Erlösers in Str. 2 und 8 bemerkt er, dass in einigen Kirchen vor Weihnachten eine Octave gefeiert wird, worin während der Predigt und des Lobgesanges ein Transparent auf dem Hochaltare ausgestellt ist und dass darin täglich ein Attribut des Heilands, der Bibel entlehnt, angezeichnet steht. Zu diesen Attributen gehören die hier vorkommenden Beiwörter.
Jos. Alb. Alberdingk Thijm hat in die mit seinem Bruder herausgegebenen “Oude en Nieuwere Kerst-Liederen” (Amst. 1852) unser Lied unter Nr. 32 aufgenommen. Da es ihm lediglich auf kirchliche Zwecke ankam, so hat er sich allerlei Änderungen erlaubt. Str. 6 und 7 hat er in Eine verschmolzen u. Str. 8 ganz weggelassen. Hie und da hat er ganz neue Verse gemacht:
| 4, | 4. | gewonden, op de knieë die u torst |
| 9, | 4. | ontsteekt in mij uw hoogste liefdevuur |
| 10, | 3. | op alle vrouwen uitverkoren |
¶ 1, 1. verwacht, erwartet—1, 3. stutting, stuiting, Hemmung—1, 4. eeuw, Jahrhundert—1, 7. ontzien, fürchten—2, 6. meerder, größer—3, 6. alreeds, bereits—4, 4. sober uitgedorst, elend verdürstet—6, 4. deernis, Erbarmen—6, 9. eisch, Verlangen—7, 7. ontmoeten, begegnen (bei Willems und Thijm hij für mij)—9, 1. bestier, bestuur, Regierung—11, 6. zwichten, weichen—11, 7. dageraad, Morgenröthe, Tagesanbruch—12, 8. dolen, irren.
¶ Nr. 197.
Jesus und Johannes.
1Lestmael op eenen zomerschen dag,
maer hoort wat ik bevallyks zag
van Jesus en sint Janneken!
zy speelden met een lammeken
al in dat groen geklaverd land,
met een papschoteltjen in hun hand.
2Hun witte vette voetjens die waren bloot,
hun lippekens als korael zoo rood;
die zoete vette praterkens
die zaten daer by de waterkens;
het zonneken scheen daer alzoo heet,
zy deden malkaer in ’t melksken bescheed.
3D’een troetelde het lammeken zyn hoôt,
en d’ander kittelde het onder den poot.
het lammeken ging springen,
sint Janneken ging zingen,
zy huppelden en truppelden door de weî,
en dees twee krollebollekens dansten alle beî.
4En als het dansen was gedaen,
zoo moest het lammeken eten gaen,
en Jesus gaf het wat brooiken,
sint Janneken gaf het wat hooiken:
ter wereld en was er nooit meerder vreugd
dan dees twee couzyntjens waren verheugd.
5Sint Janneken zyn klein neefken nam
en zette hem boven op het lam:
‘schoon manneken, gy moet ryden!
ik zal u naer huis gaen leiden,
want moederken zoude zyn in pyn,
waer dat wy zoo lang gebleven zyn.’
6Zy zaten en reden al overhand,
en rolden en tuimelden in het zand,
en deze twee klein jongeskens
die deden zulke sprongeskens!
en al de kinderkens zagen ’t aen,
tot dat ze ten lesten zyn t’huis gegaen.
7De moeder maekte op staende voet
van suiker en melk een pappeken zoet.
daer zaten de twee papbaerdekens!
daer aten de twee slabbaerdekens!
zy waren zoo vrolyk en zoo bly,
geen konings banket en heeft er by.
8Na tafel dankten zy Onzen Heer
en vielen op hun kniekens neêr.
Maria gaf hun een kruiseken,
daertoe een suikerhuiseken,
en zong hen stillekens in den slaep,
en naer het stalleken zoo ging het schaep.
Vlämisch: Fliegendes Blatt aus Antwerpen bei Willems Nr. 134. Ein nur wenig davon abweichender Text in Wolf’s Wodana bl. 184–186 nach einer alten Ausgabe des “masker van de wereld”, worin mitunter bessere Lesarten. Bei Willems 2, 3. paterkens—4, 3. broeyken—4, 4. hoeyken—7, 3. daer zaten toen die p.—7, 4. daer aten die sl.—Steht auch in Passi, Paesch, en Pinxter-Gezangen, Amst. 1722, ziemlich ebenso. 8, 3. 4. Maria zag ’t met vreugden aen, en heeft haer beî te rust doen gaen.—Neuerdings auch noch in Chants populaires des Flamands de France par E. de Coussemaker Nr. 39, stimmt fast ganz mit Willems Nr. 134, nur 7, 6. met hun moederken aen hunne zy, und 3, 1. für hoôt hoor, Ohr!
¶ 1, 5. geklaverd, mit Klee bewachsen—2, 3. praterkens, Schwätzer—3, 1. troetelen, liebkosen—3, 1. hoôt für hoofd, Kopf, mnl. Stoke 3, 294; bei de Coussemaker in hoor verwandelt, was dann oreille übersetzt wird—3, 5. weî für weide—3, 6. beî für beide—krollebol, holl. krulbol, Krauskopf—4, 3. brooiken für broodken—4, 4. hooiken, Heu—6, 1. overhand, holl. overhands, nach der Reihe, eins ums andre—7, 3. papbaerdeken, Pappbärtchen—7, 4. slabbaerdeken, Sabberbärtchen—7, 6. heeft er by, kommt ihm bei, gleicht ihm.
¶ Nr. 198.
Die himmlische Nachtigall.
1Ic wil mi gaen vermeiden
in Jesus liden groot,
van daer en wil ic niet scheiden,
int leven noch in die doot.
2Tis een prieel met bloemen
bedaut met menighen traen:
och mochtic daer in comen!
mijn truren waer al ghedaen.
3Men hoort den nachtegael singhen
al onder den scherpen doren,
sijn herte is vol van minnen,
die wilt die mach het horen.
4Een liedeken heeft hi gheheven
al onder den doren groen:
‘o vader, willet hen vergheven!
si en weten niet wat si doen.’
5Die schaker bat om vrede,
hi mocht wel hebben prijs;
die nachtegael sinct: ‘noch heden
suldi sijn int paradijs!
6O vrouwe, siet hier dinen sone!
Joannes, die moeder dijn!
ic hebse u bevolen,
wilt haer behoeder sijn!’
7Hi sanc wel also hoghe:
‘mijn god, waer om laetstu mi?’
sijn herte wert hem droghe,
te drinken begheret hi.
8Men schanc hem daer te drinken
edic met galle ghemenct,
sijn hooft dat liet hi sinken,
hi sprac: ‘vervult is alle dinc.
9O vader, in uwen handen
beveel ic minen gheest.’
met also soeten sanghe
voer hi in een ander foreest.
10Hi liet die violette
al onder den cruice staen,
die hem te Nazarette
so ootmoedelic hadde ontfaen.
11Hi liet die open rose
aent cruice hanghen so root,
haer bladerkens liet si risen:
die nachtegael bleef van minnen doot.
Liedekens ende Leysenen, Antw. 1539. bl. xca (Hor. belg. 2, 50. Willems Nr. 206). Vgl. das ältere Lied: Och hoe lustelic is ons die coele mei ghedaen, Hor. belg. 10, Nr. 104.
¶ 1, 1. sich vermeiden, sich erfreuen, Hor. belg. 8, 3.—2, 1. prieel, Anger, Hor. belg. 8, 2.—8, 2. edic, Essig—9, 4. foreest, Forst, das frz. forêt—11, 3. risen, fallen; auch unser reisen, mhd. rîsen in derselben Bedeutung: das Laub reist von den Bäumen, s. Schmeller baier. Wb. 3, 129.
¶ Nr. 199.
Die Sultanstochter.
1Hoort toe al die van liefde zijt,
het lust mijn geest te zingen
een lied van liefde en vriendelijkheid,
van groote schoone dingen.
een Soudansdochter hoog van staat,
gekweekt in duistere landen,
ging ’s morgens met den dageraad
door gaarden en waranden.
2Zij zag de schoone bloempjes staan
hierdoor is in haar opgegaan
een welbron van gedachten:
‘wie mag de bloemenmaker zijn,
zoo wijslijk in ’t ontvouwen
der edele blaadjes schoon en fijn?
mogt ik hem eens aanschouwen!
3Hoe lief heb ik hem in ’t gemoed!
wist ik hem maar te vinden,
’k verliet mijn vaders rijk en goed
en ging met mijn’ beminden!’
des middernachts stond Jesus daar
en riep: ‘o maagd, doet open!’
dit werd zij op haar bed gewaar
en kwam zeer haast geloopen.
4Zij heeft haar venster opgedaan:
daar zag zij voor haar oogen
den allerliefsten Jesus staan
met schoonheid overtogen.
zij zag hem zoet en vriendelijk aan
en neeg tot op der aarde,
en sprak: ‘waar komt gij toch van daan,
o jongeling hoog van waarde?
5O jongeling van schoonheid rijk,
wiens harte zou niet branden?
nooit zag ik ergens uws gelijk
in al mijn vaders landen.’
‘Ja kuische maagd, die ik wel ken,
uw liefde is te roemen.
nu zult gij weten wie ik ben:
den maker van de bloemen.’
6‘Zijt gij’t, mijn allerschoonste heer?
mijn liefste, mijn beminde?
hoe zocht u mijn gemoed zoo zeer,
of ik u eens mogt vinden!
nu houdt mij erf noch vaderland,
met u zal ik het wagen.
geleid mij met uw schoonste hand,
7‘O maagd, wilt gij met mij op reis?
zoo moet gij ’t al verlaten,
uw vader en zijn schoon paleis
en al uw hooge staten!’
‘Uw schoonheid is mij dit wel waard,
mijn lief, mijn uitverkoren!
niets is er op de gansche aard
zoo schoon als gij geboren.
8Nu leid mij henen waar ’t u lust,
o schoonheid nooit volprezen!
in u stel ik mijn hart gerust,
uw eigen wil ik wezen.’
Hij nam de maagd bij hare hand,
zij ging aan zijne zijde
ver uit haar heidensch vaderland
door beemden en door weiden.
9Zij spraken menig vriendelijk woord
al gaandeweegs te zamen,
toen bragt begeerte ’t vragen voort:
‘hoe is toch uwe name?’
‘Mijn naam, o maagd, is wonderschoon,
zijn kracht kan ’t hart genezen,
in mijn heer vaders hoogen troon
daar staat hij schoon te lezen.
10Tot mij alleen uw liefde wendt,
dient mij met hart en zinnen!
mijn naam is Jesus, wel bekend
bij al die mij beminnen.’
Zij zag haar lief zoo minlijk aan,
zij neeg tot op der aarde
en bood hem haar getrouwheid aan
en hield hem hoog in waarde.
11‘Wie mag mijn liefs heer vader zijn?
vergeef mij ’t vrije vragen,
o schoonste bruigom! zeg het mijn,
is ’t anders uw behagen.’
‘Mijn vader is zoo rijken man:
hemel en aard hij buigen kan,
de zon, de maan, de sterren.
12Tien honderd duizend engelen schoon
die liggen steeds gebogen
bij mijn heer vaders hoogen troon
met neêrgeslagen oogen.’
‘Ach, is uw vader dan zoo groot
en aller vromen hoeder!
o liefste dien ik liefde bood,
wie is toch uwe moeder?’
13‘Nooit was er op de gansche aard
een maagd zoo rein van leven:
zij heeft mij wonderlijk gebaard
en maagd is zij gebleven.’
‘Ach, is uw moeder eene maagd,
zoo schoon en uitgenomen,
verschoon uw dienstmaagd dat ze vraagt,
van waar zijt gij gekomen?’
14‘Ik kome uit mijns vaders rijk,
vervuld met zoo veel vreugden,
die nergens hebben haar gelijk
in schoonheid en in deugden;
daar duizend jaaren is één dag,
daar duizend duizend jaaren,
dat is ’t dat weelde heeten mag,
veel deugd’ en vreugden baaren.’
15‘Och heer, dat staat mij wonder aan,
mijn allerschoonste koning!
laat ons toch haastig heenen gaan
naar uw heer vaders woning!’
‘O maagd, dient mij opregt en rein,
mijn rijk zal ik u geven,
daar zult gij eeuwig bij mij zijn,
in groote vreugde leven.’
16‘Zij gingen alzoo rein en kuisch
door beemden en door weiden,
en kwamen aan een geestlijk huis,
‘mijn allerliefste jongeling schoon,
woudt gij mij nu begeven?
nooit hoorde ik zoo droeven toon:
dan moet ik immers sneven.’
17Hij sprak haar zijne meening uit
met vriendschap en met minnen:
‘verwacht mij hier, o waarde bruid!
nu moet ik gaan hier binnen.’
Hij is ten huizen ingegaan,
zij stond hem te verbeiden;
zij liet zoo menig droeven traan,
omdat hij was gescheiden.
18Als nu de dag ten avond kwam,
zoo peinsde haar verlangen,
dat zij haar liefste niet vernam,
hij beidde veel te lange,
toen trad zij nog een weinig voort,
gedreven door de minne,
en klopte en riep: ‘doet op de poort!
mijn liefste is hier binnen.’
19De poort die werd haar opgedaan,
de poortier kwam daar voren,
hij zag de jonkvrouw voor hem staan
zoo schoon en hoog geboren:
‘zegt mij, o maagd, wat gij begeert?
hoe gij hier komt alleene?
zegt mij, o maagd, wat dat u deert
en waarom gij moet weenen?’
20‘Och! die dien ik zoo teer bemin,
die is mij hier ontgangen:
hij trad tot uwe poorte in,
hij beidt mij veel te lange.
och! noodig hem toch weder uit,
zeg dat hij mij kom vinden,
eer dat mijn hart van droefheid stuit:
hij is mijn hoog beminde.’
21‘Och, maagd! de geen die u hier liet,
uw waarde lief die is hier niet,
ik heb hem niet vernomen.’
‘Och, vader! wat ontkent gij mij?
mijn lief die ik beminne,
het laatste woordje dat hij zei,
dat was: ik ga hier binnen.’
22‘Zeg gij dan hoe uw liefste hiet,
of ik hem eens mogt weten?’
‘Och, vader! dat en weet ik niet,
zijn naam is mij vergeten,
mijn liefste is een koningszoon,
zijn rijk strekt alzoo verre,
zijn kleed is hemelsblaauw en schoon
bestrooid met gouden sterren.
23Zijn aangezigt is melk en bloed,
zijn haren zijn van goude,
zijn wezen is zoo wonderzoet
als ooit een mensch aanschouwde,
hij kwam uit zijn heer vaders rijk,
om mij met hem te leiden.
nooit zag ik ergens zijn gelijk,
maar ach! hij is gescheiden.
24Zijn vader eenen schepter draagt
van hemel en van aarde,
zijn moeder is een reine maagd
zoo schoon en hoog van waarde.’
Die poortier, die zijn stem verhief,
sprak: ‘Jesus onzen heere!’
‘Ja, vader! zeid’ zij, dat ’s mijn lief,
dien ik zoo zeer begeere.’
25‘Wel maagd, is dit uw bruidegom,
dien zal ik u wel wijzen:
kom, allerzoetste dochter! kom,
gij moet niet verder reizen.
kom dan, o zoete bruid! treed aan,
kom binnen onze wanden,
en zeg, waar komt gij dan van daan,
26‘Ik ben een vorstelijke maagd,
gekweekt in hooge staten;
om hem, daar mijn gemoed naar vraagt,
heb ik het al verlaten.’
‘Voor al dat gij verlaten hebt,
zult gij veel meerder vinden
bij hem die alle schoonheid schept,
bij Jesus uw beminden.’
27Zij diende god van harten zeer,
zij had een groot verlangen
naar Jesus haar beminden heer,
hij beidde veel te lange.
toen zij haar leven had volend
en van hier zoude scheiden,
kwam Jesus daar weder present,
hij wilde haar geleiden.
28Hij nam zijn bruid bij hare hand
met vriendelijke minne,
en bragt haar in zijn vaderland,
daar is zij koninginne.
al wat het hart begeeren mag,
dat werd haar daar gegeven
daar duizend jaaren zijn één dag,
zoo lustig is dat leven.
Holländisch: Volksliederbücher. Der Stoff ist uralt und rein biblisch und oft schon poetisch behandelt worden: das Werben der gottgeweihten Seele um ihren Bräutigam Christus, um die Liebe Gottes. Die Sage von der Sultanstochter scheint jedoch erst dem Anfange des 16. Jahrhunderts anzugehören. Sie ist damals wenigstens erst in Prosa gedruckt worden:
Een suverlick exempel, hoe dat Jesus een heydensche maghet een Soudaens dochter wech leyde wt haren lande. Gheprent tot Delft bi mi Frans Sonderdanck. (In der Kön. Bibl. im Haag, s. darüber J. van Vloten im Konst- en Letterbode 1850. bl. 140.)
Nach dieser prosaischen Erzählung ist später in Holland ein langes Lied gedichtet worden u. zwar in kunstgerechter Form, wie den Text die holländischen Volksliederbücher der spätesten Zeit vielleicht noch am getreuesten aufbewahrt haben. Späterhin mochte dieser Text, als er sich auch nach den südlichen Niederlanden verbreitete, in der Überlieferung, weil er zu lang war, unvollständig werden u. erhielt daher nach dem Schlusse zu, andere Strophen, die zwar ein volkstümlicheres Aussehen gewannen, aber eben deshalb doch nicht für älter oder gar für ursprünglich gelten dürfen. So ist es merkwürdig, dass von den beiden Texten in den “Passi, Paesch, en Pinxter-gezangen (t’ Amsterdam, By Gerardus Bloemen 1722)”, einer Liedersammlung, die aus alten u. neuen Liederbüchern zusammengestellt wurde, der erste Text bl. 84. 85. ganz mit unseren Strophen 1–11 übereinstimmt, nachher aber nicht weiter geht als bis wo Jesus Abschied nimmt:
Hij nam die schoone bij der hand
en sprak met zoete zinnen:
‘oorlof, schoon maagd, verbeid mijn hier,
ik moet nu gaan hier binnen.’
Ob nun auch das ursprüngliche Lied hier abschloss, lässt sich nicht recht ermitteln. In den übrigen Texten kommen allerdings noch Strophen vor, die einem kunstmäßigen Liede angehören, z. B. in dem zweiten Texte der Passi—gezangen bl. 86–91.
Zijn oogen staan zeer vriendelijk,
hij is zeer schoon van spraaken,
hij quam al uit zijns vaders rijk,
hij wilde mij ontschaaken.
Schoon maget, is uw lief zoo schoon
en alzoo hoog geprezen,
al waar hij uit des hemels troon,
hij en mogt niet beter wezen.
Schon frühzeitig muss das ursprüngliche Lied eine völlige Umdichtung im Volke erfahren haben. Eine solche scheint mir denn auch die unter den Liedern des Tonis Harmansz (Tennis Harmsen) van Wervershoef vorkommende, denn schwerlich hat sie ihn zum Verfasser, sie wäre sonst durchweg gereimt und nicht in so volkstümlicher Sprache (s. die Proben im Konst- en Letterbode 1850. bl. 138. 139. Modernisiert in Alberdingk Thijm, Oude en Nieuwere Kerstliederen 1852. Nr. 133; die dazugefügte Melodie nach verschiedenen mündlichen und schriftlichen Mittheilungen; sonst ist als Mel. angegeben: Een boerman had een dochterken, oder: O Holland schoon). Aus diesem Texte scheinen die vlämischen der großen Offenen Blätter bei C. van Paemel in Gent (gedruckt bei Willems Nr. 130.) und bei Josephus Thys in Antwerpen Nr. 22. (s. Mone Übersicht S. 229.) hervorgegangen zu sein.
Mein Text ist der schon früher Hor. belg. 2, 55–66 aus Le Jeune Volkszangen bl. 147–157 mitgetheilte; diesmal habe ich Str. 19, 5–8 eine bessere Lesart aufgenommen u. die frühern Strophen 27, 28 und 31 weggelassen, wodurch das Ganze eher gewonnen als verloren hat.
Unabhängig von den niederländischen Texten ist der deutsche nach einem alten Fl. Bl. im Wunderhorn 1, 15–17, fünfzehn vierzeilige Strophen. Neben diesem einfachen u. gewiss ursprünglichen Texte sind noch zwei ausführlichere vorhanden, einer von 17 achtzeiligen Strophen aus der Klosterneuburger Hs. Nr. 1228 (16. Jahrh.) in Mone’s Anzeiger 8, 331. ff. und danach bei Uhland Volksl. Nr. 331; und ein zweiter von 27 achtzeil. Strophen in Corner’s Groß Catholisch Gesangbuch, Fürth 1625. Nr. 293, wiederholt in Aurbacher’s Anthologie deutscher kathol. Gesänge 1831. Nr. 100.
Das Lied findet sich auch noch in anderen germanischen Sprachen: dänisch in Nyerup, Udvalg 1, 35–41; schwedisch in Svenska Folkvisor 2, 73–83, modernisiert von Atterbom im Poetisk Kalender för 1816. 14–19. Ja sogar wendisch ist es vorhanden: Volkslieder der Wenden von Haupt u. Schmaler 1. Th. S. 290–293.
¶ 1, 6. gekweekt, erzogen—1, 7. dageraad, Morgenröthe—1, 8. warande, frz. garenne, Thiergarten, Park—2, 4. welbron, Quellbrunn—2, 6. ontvouwen, entfalten—8, 8. beemd, Wiese—13, 6. uitgenomen für uitneemend, außerordentlich—14, 7. weelde, Wonne—14, 8. im Druck varen—16, 8. sneven, ursprünglich fallen, dann, wie sneuvelen, umkommen, s. Huydec. Pr. 3, 137. ff.—17, 3. verwachten, erwarten—17, 6. verbeiden, erwarten—18, 4. beiden, ausbleiben—20, 7. stuiten, stocken, stille stehen—21, 5. ontkennen, verkennen—24, 5. verheffen, erheben.
¶ Nr. 200.
Die vier Pilger.
1Hoort vrienden, luistert naer dit lied,
gy christelyke scharen!
wat dat vier gasten is geschied
die kameraden waren:
zy maekten samen eenen band
om te bezoeken ’t heilig land
en niet weêrom te keeren,
zy zagen ’t graf des Heeren.
2Hun blyden tocht is haest vergaen
want eenen schrik kwam hun daer aen
door duivelsche temtatie:
twee tigers kwamen met getier,
de gasten riepen alle vier:
‘o God, wat komt ons tegen
op dees bedroefde wegen!’
3‘Laet my alleen op deze baen!’
sprak een met groot bezwaren,
‘’k en ben te biechten niet gegaen
den tijd van negen jaren,
voorwaer myn zonden zyn zoo groot,
reist gylie met u dryen voort,
want God die mocht u plagen
voor myn voorleden dagen.’
4Toen spraken d’ander dry getrouw:
‘en wilt niet droevig wezen!
de litanie van Ons Liev’ Vrouw
zullen wy voor u lezen.’
de tigers zijn verdwenen ras,
en daar het hun begeerte was
zy trokken voort te samen
tot z’ in Jerusalem kwamen.
5Zy kregen daer na biecht en boet
het vleesch en bloed des heeren,
want hun berouw oprecht en goed
bleek ook in ’t wederkeeren.
de gast weleer vol zonden groot
bleef dicht by Barcelone dood,
daer lag hy bloot van leden,
een geest kwam op getreden.
6Hy sprak: ‘o gasten! wilt nu saen
uw dooden vriend begraven,
doch doet hem eerst dit schoon hemd aen,
reist dan langs bosch en hagen,
en vreest niet meer voor ongeval,
ik weet wie u bewaren zal.
de litanie blyft lezen
gelyk gy deedt voor dezen!’
Vlämisch: van Paemel’s Liedersamml., und daraus abgekürzt bei Willems Nr. 132.
¶ 2, 5. getier, Getobe—3, 6. gylie, gy lieden, ihr Leute, d. i. ihr—3, 8. voorleden, vergangen—4, 5. verdwenen, verschwunden—6, 1. saen, sogleich Huydec. op St. 1, 375. mhd. sâr, sân, sâ Fundgr. 1, 388.—6, 5. ongeval, Unglück.
¶ Nr. 201.
Die Himmelsbraut.
1Daer was eens een maegdeken jong en teêr,
zy bemindege zeer
haren god en haren heer,
zy bad gedurig zonder ophouden:
‘heere, laet my u eens aenschouwen!’
2Jesus heeft aen haer gevraegd:
‘zuivere maegd
die my zulke liefde draegt!
hebt gy my liever als uw leven,
wilt my dan het seffens geven.’
3Het maegdeken met vlytigheid
heeft gezeid:
‘heere, daertoe ben ik bereid:
van liefde moet myn hertjen breken,’
en terstond is zy bezweken.
4‘Wie klopt er hier op dat deurken,
en die hier zoo lustig zyt?’
‘en ’t is een zoo proper maegdeken
en ’t zou zoo geren binne binne bin,
en ’t zou zoo geren binne binne bin,
haren bruidegom is er in.’
5‘Is ’t een zoo proper maegdeken
en zou het zoo geren bin,
en staet op, myn engelkens altesam
en gaet, haelt de schoone maegd binne binne bin,
en gaet, haelt de schoone maegd binne binne bin!
haren bruidegom is er wel in.’
6En als de schoone maegd binnen kwam
en daer was er al een vreugd!
en de engelkens dansten daer hand aen hand,
heere Jesus droegere den roozenkrans,
en Maria die ging voore voore voor,
en het maegdeken wierd gekroond.
Vlämisch: Wodana door J. W. Wolf bl. 76, mündlich aus Gent.
¶ 1, 2. bemindege in der Genter Mundart für beminde—2, 5. seffens, teffens, zugleich, auf ein Mal—3, 5. bezwyken, sterben—4. hier beginnt eine andere Melodie.
¶ Nr. 202.
Die Himmelsburg.
1Het staet een casteel, een rijc casteel,
een casteelken op hogher tinnen,
daer singhen die enghelen so soeten lof,
heer Jesus woont daer binnen.
2Tot desen castele quamen wi gaerne,
conden wi daer toe gheraken;
het blinct daer al van puren gouwe,
die muren ende ooc die daken.
3Tot desen castele comen wi niet,
wi moeten vromelic striden;
die wilde see vlac ende diep
die moeten wi overliden.
4De bose gheesten comen ons aen,
met temptacien willen si ons verladen;
si hebben daer so menighen te gronde gheseilt
met hare valsche raden.
5Si wenschen ons dicke in den gront,
si souden ons gherne verdrinken;
wi ankeren ons herte in Jesus wonden,
wi latent daer inne sinken.
6Laet ons die wilde see overvaren
met also blide sinnen!
god die here wil ons ghesparen,
dat wi dat casteel ghewinnen!
Liedekens ende Leysenen, Antw. 1539. bl. XXI.b (Hor. belg. 2, 49. Willems Nr. 208).
¶ 3, 2. vromelic, tapfer—3, 3. vlac, seicht—3, 4. overliden, überfahren, das frz. passer—4, 2. overladen, überladen, belasten (dass das Schiff zu Grunde geht)—4, 3. gheseilt, gesegelt—5, 1. dicke, oft.
¶ Nr. 203.
Der heilige Franciscus.
1Wi willen heden vrolic sijn
op desen hoghen dach
met onsen vader Franciscus,
die men niet volprisen en mach,
want hi is waerlic groot:
o heilighe vader Franciscus,
staet ons bi in onser noot!
2Hi dede uit sijn clederen,
die hi te draghen plach,
hi werpse voor sijns vaders voeten,
de werelt was hem een caf.
want hi is waerlic groot:
o heilighe vader Franciscus,
staet ons bi in onser noot!
3Franciscus sach op sinen voet
ghelijc dat doet die pauwe,
hi liet sinken sinen hoghen moet
ende dede aen die cleder grauwe.
o heilighe vader Franciscus,
staet ons bi in onser noot!
4Hi is seer goedertieren
in sinen ommeganc,
sijn hertken bloeit van binnen
ghelijc een wijngaertranc.
want hi is waerlic groot:
o heilighe vader Franciscus,
staet ons bi in onser noot!
5Doen dese heilighe vader
dus vast in duechden ghinc,
wert hi so vierich in Christus minne
dat hi die vijf wonden ontfinc.
want hi is waerlic groot:
o heilighe vader Franciscus,
staet ons bi in onser noot!
6Hi is seer goedertieren
van duechden op aertrijc,
van binnen ende ooc van buten
so en is niemant sijns ghelijc.
want hi is waerlic groot:
o heilighe vader Franciscus,
staet ons bi in onser noot!
7Nu is hi op ghevaren
hier boven int hemelsche lant,
al in dat choor der seraphinnen
bi Christus rechter hant.
want hi is waerlic groot:
o heilighe vader Franciscus,
staet ons bi in onser noot!
8Nu latet ons hem bidden
met groter innicheit,
dat hi ons wil verwerven
die duecht der ootmoedicheit.
want hi is waerlic groot:
o heilighe vader Franciscus,
staet ons bi in onser noot!
Liedekens ende Leysenen, Antw. 1539. bl. XV.a (Hor. belg. 2, 48).
¶ 2, 4. een caf d. i. gar nichts—4, 1. 6, 1. goedertieren, liebreich, vgl. Hor. belg. 3, 138—8, 4. ootmoedicheit, Demuth.
¶ Nr. 204.
Das Geuzemädchen.
1Wie wil horen een liet eerbaer?
en dat sal ic gaen singhen
al van een meisje van seventien jaer,
die de waerheit wou volbringhen.
2Si wiert tAntwerpen binnen ghebracht,
ghevanghen en cort ghedwonghen,
maer doe si voor de poorte quam,
si heeft vrimoedich ghesonghen:
3‘Och broeders, wilt vast op Christum staen
en wilt daervan niet keren!
dat ic so swaer ghebonden moet gaen
is om het woort des Heren.’
4In de vierschaer bracht mense ras,
om dat meisken tondervraghen.
om datse so jonc van jaren was,
si meendense te vervaren.
5Maer doe si voor de heren quam,
hoort wat si ghinc ghewaghen:
‘och mijn heren, hoe sidi op mi so gram!
heb ic u iet ontdraghen?’
6Wat sprac de godlose partij,
om dat meisken te verbloden?
‘neen, ghi moet aflaten uw ketterij,
of wi sullen u doden.’
7‘Och mijn heren! dat wil ic gaerne doen,
cont ghi mi anders betoghen:
de woorden die Christus ghesproken heeft coen
8De heren antwoorden nae haer verstant,
haer sententie si daer hoorde,
dat si sou worden aen een stake verbrant,
en dat met corte woorden.
9‘Och mijn heren! ghi sijt van herten quaet,
hoe condi dat ghedoghen,
te niet te brenghen dat vroulijc saet
claghic met wenende oghen.’
10Met dien quam daer een capitein,
die de werelt wou becleiden,
vijf hondert goutgulden boot hi voor haer,
mocht hise met hem leiden.
11‘In niemant en hebbic ghene lust,
do werelt wil ic verlaten,
mijn siel is in den here gherust:
gaet wandelen uwer straten!’
12Nae de merct wiert si gheleit,
te branden aen een stake.
si boot den scherprechter haren mont,
si custe hem aen sijn caken.
13Hi stac het vier int houte coen,
si riep so luit: ‘o heer verheven!
al die mi dese tormenten aen doen,
o heer, wilt hun vergheven!’
14Si stont te branden in het vier,
si riep al met verlanghen:
‘o hemelsche vader! nu scheidic van hier,
wilt doch mijn siel ontfangen!’
Nach einem LB.: ’t Nieuw Groot Harpje, im Besitz des Hrn. J. J. Nieuwenhuijzen zu Amsterdam, mitgetheilt bei Willems Nr. 230.
¶ 4, 1. vierschaer, das peinliche Gericht, das ursprünglich aus vier Personen, einem Richter und drei Schöffen bestand, hier das Ketzergericht. Die Inquisition nannte sich die heilige vierschaer—4, 2. ondervraghen, verhören—4, 4. vervaren, einschüchtern—5, 2. ghewaghen, sagen, s. Hor. belg. 3, 137.—5, 4. ontdraghen, entwenden—6, 2. verbloden, blöde, zaghaft machen—7, 2. betoghen, betonen, beweisen—7, 4. poghen, trachten—8, 3. stake, Pfahl—9, 2. ghedoghen, zugeben—9, 3. vroulijc saet, weiblich Wesen—10, 2. der die Welt wollte bekleiden, soll wol heißen: der die Schmach der Welt bedecken wollte—11, 3. is in den here gherust, ruht im Herrn, verlässt sich auf Gott—12, 4. caken, Wangen.
¶ Nr. 205.
Wallfahrerlied.
1Komt, pelgrims, komt, volght my naer!
wy willen onse reise beghinnen,
wy sullen gaen groeten te Kevelaer
die soete koninghinne.
2Komt, volght my naer met kloeken moet
en neemt van daegh een couragie,
op dat wy altemael te voet
voldoen ons pelgrimagie.
3Wy syn doch pelgrims allegaer,
wy hebben hier gheen vaste steden;
’t is hier al droefheit voor en naer,
so langh wy sijn beneden.
4Hoe menigh son is opghestaen,
die my met droefheit sach bevanghen!
hoe dickwils vont de bleke maen
noch tranen op mijn wanghen!
5Wat is het leven van ons al
dan hier eens komen, dan weer scheiden?
den wegh loopt door het tranendal,
die ons naer huis sal leiden.
6O vaderlant, o vaderlant!
wanneer sult ghy my eens ontvanghen?
tot u ist dat mijn herte brant
en sucht met groot verlanghen.
7Och datter eenen enghel waer
die mijn stappen wilde schrijven!
al viel de reis my noch so swaer,
dat sou mijn swakheit stijven.
8Wel aen dan, pelgrims, kloeken moet,
sa altemael goet couragie!
op dat wy altemael te voet
voldoen ons pelgrimagie.
Een Geestelijck Lust Hofken, Kevelaer 1683. bl. 283; auch bei Le Jeune Nr. 78, aber etwas geändert.
¶ 2, 1. kloek, tapfer—6, 4. suchten, seufzen—7, 2. stap, Fusstritt—7, 4. stijven, stärken.
¶ Nr. 206.
Leb wohl, o Kevelaer!
1Adieu, adieu! wy scheiden,
adieu, o Kevelaer!
al trecken wy ter heiden,
wy laten therte daer.
Adieu, o maghet soet,
die ons bewaren moet!
2Wy sullen ons ghesellen,
als wy sijn weerghekeert,
tot uwen lof vertellen,
hoe ghy hier wordt gheeert.
Adieu, o maghet soet,
die ons bewaren moet!
3Die aen de Samber wonen
en die van Kempenlant,
om eer aen u te tonen,
sijn daer ghelijker hant.
Adieu, o maghet soet,
die ons bewaren moet!
4Wy hebben daer ghelaten
van die sijn boven Rijn,
als ook van die u haten
Adieu, o maghet soet,
die ons bewaren moet!
5De Maes moet ook belijden,
dat sy siet op de baen
de pelgrims tallen tijden
so vlijtigh naer u gaen.
Adieu, o maghet soet,
die ons bewaren moet!
6Adieu, adieu! wy scheiden,
adieu dan Kevelaer!
adieu! wy gaen ter heiden,
maer laten therte daer.
Adieu, o maghet soet,
die ons bewaren moet!
Een Gheestelijck Lust Hofken, Kevelaer 1683. bl. 261. (Hor. belg. 2, 54. Willems Nr. 217).
¶ 4, 4. beneden, unten d. i. am Niederrhein—5, 1. belijden, bekennen.