II.
De 10 Opwerpingen van Ido tegen het Esperanto weerlegd.
Wij geven hieronder de vertaling van een rondschrijven, door duitsche esperantisten onlangs uitgegeven, in antwoord op de beweringen van een ander rondschrijven, door de duitsche idisten verspreid.
1. Alphabet.—«Ido gebruikt het gewoon internationaal alphabet, en heeft dus geene beteekende letters.»
In het Esperanto-alphabet zijn de regels der phonetiek, welke anderszins door de theoretiekers van Ido vereischt worden, ten strengste nageleefd. Alleen in Esperanto, niet in Ido, komt aan iederen klank een teeken toe en beduidt elk teeken maar éénen klank. Verder is het Esperanto-alphabet meer geschikt tot het vertalen van eigennamen, en bijzonder van geographische namen. Het is ook praktischer en korter, ŝ en ĉ te schrijven dan sh en ch waarvan het laatste in de verschillende nationale talen op verschillende wijze wordt uitgesproken. De Esperantische ŝ, ĉ, enz., kunnen evenmin als een terugstap tegenover sh en ch aangezien
worden, als de Duitsche ö en ü tegenover oe en ue. Door de dubbele rol, welke de idistische j vervult, ontstaan onnatuurlijke woordvormen, zooals jenante, injeniero, jeneroza, enz. De geringe nadeelen, welke de boventeekens voor het drukken kunnen teweegbrengen, kunnen, zooals de Ido-Boekdrukkerij het wel weet, vermeden worden en verdwijnen meer en meer door de steeds aangroeiende uitbreiding van Esperanto.
2. Klemtoon.—«Ido heeft eenen natuurlijken klemtoon (filio), niet eenen stijven, onnatuurlijken zooals Esperanto (filio).»
Die zoogezegde natuurlijke klemtoon legt aan hem, die Ido leert, een aantal regels en uitzonderingen over den nadruk en de uitspraak op, terwijl Esperanto éenen enkelen nadruksregel zonder uitzonderingen heeft.
De door Ido nagestreefde «natuurlijke» betoningswijze is meestal niet voorhanden (vergelijkt het Duitsch «System», het Engelsch «system»;
het Duitsch «Horizont», het Engelsch «horizon»; het Duitsch «Komödie»,
het Fransch «comédie») en wordt zoodra verworpen dat er, al ware het maar éene vormingslettergreep aan het woord wordt toegevoegd. Een nadruksregel welke zonder uitzonderingen kan toegepast worden is dus het eenvoudigste en natuurlijkste vooral voor personen die maar eene taal machtig zijn, en zich niet verstaan aan zulke spraakkundige «fijnheden». De nadruk op de voorlaatste lettergreep van ieder woord geeft aan Esperanto eenen gemakkelijken, natuurlijk vloeienden rythmus welke aan Ido meestendeels ontbreekt.
3. Meervoud.—«Ido heeft den Italiaanschen, schoonen meervoudsvorm i,
niet de zware, onschoone vormen oj, aj, uj.»
Doch Esperanto heeft de «schoone Italiaansche i» als uitgang der werkwoorden. Overigens die kwestie van smaak is zeer betwistbaar. De filologen der oude talen roemen algemeen de schoonheid der Grieksche taal, juist om haren rijkdom aan de volle klanken ai en ei. Van groot belang zijn deze Esperanto uitgangen voor de goed afgeteekende scheiding der woorden en voor het klare opvatten en onderscheiden van den gesproken tekst. De dienstigheid eener hulptaal ook vooral voor het mondeling gebruik schijnt voor de Idisten slechts bijzaak te zijn.
4. Hoedanigheidswoord.—«Ido heeft de
onveranderlijke hoedanigheid; Esperanto verandert het volgens het getal en den naamval.»
Deze grootere eenvoudigheid is zoowel een nadeel als een voordeel. Want het spreekt van zelf, dat het hoedanigheidswoord, dat in getal en naamval met het hoofdwoord overeenkomt veel duidelijker zijn logisch verband te kennen geeft dan het onveranderlijke hoedanigheidswoord, en dat daardoor de inhoud van den zin gemakkelijker en vlugger begrepen, en eene grootere vrijheid in de volgorde der woorden verkregen wordt. Overigens in Ido is het hoedanigheidswoord niet altijd onveranderlijk, zooals men het beweert; in menig geval moet het de teekens van het meervoud en den accusatief aan nemen.
5. Werkwoord.—«Ido geeft den internationalen uitgang r in plaats van den willekeurigen vorm i van Esperanto. Ido kan daarbij de noemvormen in overeenstemming brengen met de tijdvormen.»
Deze zoogezegde internationale r wordt slechts bij Spaansche werkwoorden algemeen als uitgang uitgesproken, bij de meeste
Fransche werkwoorden is ze toonloos, en in ’t Italiaansche zijn de uitgangen der werkwoorden are, ire, ere; zij bevatten dus wel is waar eene r, maar niet als uitgang. Is het nu hoogst wetenschappelijk
of hoogst belachelijk, zulken enkel vormenden uitgang volgens het princiep der grootste internationaliteit te willen kiezen? Of is het niet veel vernuftiger, zulken uitgang volgens zuiver praktisch oogpunt te bepalen, zoodat hij gemakkelijk uit te spreken, goed hoorbaar en van andere uitgangen wel onderscheiden zij?
Onder dat opzicht is de invoering van den uitgang ar in Ido eene der grootste misgrepen geweest. Het voorwendsel, dat hij ook in ’t Spaansch bestaat, houdt geen stand, want voor eene natuurlijke taal komt het er veel minder op aan, of zulke uitgang duidelijk onderscheidbaar is of niet, dan wel voor eene kunstmatige taal. Weldra hebben dan de ontwerpers van Ido bemerkt, dat eene r als eindletter bij het spreken
nauwelijks hoorbaar wordt, wanneer men ze niet voortrolt. Zij verbraken daarom den betoningsregel en legden bij werkwoorden den klemtoon op de laatste lettergreep. Het kwaad werd
daardoor niet hersteld, integendeel,
andere nadeelen voegden zich bij het eerste. Door het betonen der vormingslettergreep ar wordt de aandacht bij het hooren afgewend van de hoofdzaak, den stam des woords, naar de nevenzaak, de vormingslettergreep. Men vergelijke:
| Ido: | tradukar, | Esperanto: | traduki. |
| » | obediar, | » | obei. |
| » | punisar, | » | puni. |
| » | rapecar, | » | fliki. |
Een ander onaangenaam gevolg is de storing in de zinsbetoning, storing welke zich voordoet telkens dat na een infinitief een tweelettergrepig woord komt. B. v.: Me volas skribar karto, tegenover het vloeiende Esperanto: Mi volas skribi karton.
Laten wij daarom aan ido, zonder het te benijden, zijne internationale r en behouden wij onze «willekeurige i»!
Eene tweede fout onder opzicht van klank is de uitgang ez voor de gebiedende wijze. Ook deze eindmedeklinker wordt slechts hoorbaar, wanneer men hem luid sist; ez is licht te verwarren met is. Men vergelijke daarmede den vollen krachtigen uitgang u van het Esperanto: lernu tegenover lernez. De nationale talen hebben de zachte, uitgesproken s meest in het midden of in ’t begin der woorden, en zelden op ’t einde. De opmerking, dat de gebiedende wijze in ’t Fransch ook op ez eindigt, is dwaas, daar onze z toonloos is.
6. Verbuiging.—«Ido heeft geenen verplichtenden accusatief, maar gebruikt dien slechts in de noodzakelijkste gevallen bij de woordomzetting.»
.... «Om hem dan ten slotte in de noodzakelijkste gevallen te vergeten, zooals het voorbeeld toont van den «vere idana leono» (zoo noemd «Idano» den heer Peus).
[5] Want elk willekeurig gebruik van eenen grammatischen vorm eischt weder eenen bijzonderen regel om te bepalen wanneer, al of niet, die regel moet gebruikt worden. En wat weegt nu bij Ido tegen dit «voordeel» op? In de plaats van den verplichtenden accusatief heeft het de verplichtende woordorde, waarbij elke zin moet gebouwd worden volgens het schema «Onderwerp,
gezegde, voorwerp». Men kan nu het eene of het andere verkiezen; eenen gewissen dwang ontgaat men, om logische redenen, echter niet. De verplichtende accusatief verschaft aan het Esperanto de grootste vrijheid in de woordorde en eene grootere logische klaarheid.
7. Woordenlijst.—A. «Ido gebruikt geene kunstmatige woorden zooals Esperanto.»
Doch het gebruikt daarvoor woorden uit eene doode taal, het Latijn; en men moet daarom in Ido 24 verschillende elementen leeren, waar in Esperanto 14 voldoende zijn. Buitendien, de zoogenaamde tabellenwoorden zijn in Esperanto niet geheel conventioneel: al de woorden met eenen onbepaalden zin beginnen met i, wat men in het Duitsch irgend terugvindt; de aanwijzende woorden met ti, wat in ’t Duitsch d, in ’t Engelsch th is; de ontkennende woorden hebben de n, die aan alle talen gemeen is; de vragende woorden beginnen met k (Fransche ki, Duitsche altijd w, Engelsche wh).
B. «De woordenstammen in Ido zijn niet willekeurig uitgezocht, zooals in Esperanto; zij zijn gekozen volgens het princiep der grootste internationaliteit.—B. v.: Uit het Duitsche Kavallerie, het Engelsch cavalry, het Fransch cavallerie, het Italiaansch cavallo, het Spaansch caballo, het Russisch kabaleria, kiest Ido voor het woord «paard» het eenige internationale woord kavalo; Esperanto heeft het misvormde Fransche woord ĉevalo.»
Inderdaad, Ido heeft het princiep der grootste internationaliteit, dat overigens in Esperanto ook overweegt, met meer nauwkeurigheid, maar ook met waanswijsheid doorgedreven. De Ido-geleerden hebben het princiep te veel naar den vorm behandeld; zij aanzien het als eene zuivere getalkwestie, en voor hen
telt 1 Spanjaard of 1 Italiaan voor evenveel als 1 Duitscher, 1 Hollander of 1 Skandinaviër.
Anders gezegd: men heeft den graad van ontwikkeling der verschillende nationaliteiten niet in aanmerking genomen, en daardoor komt het dat, ten gevolge van het Spaansch en Italiaansch, Ido een meer romaansch uitzicht bekomt, en dat vele germaansche woordstammen die in Esperanto voorkomen, zooals tago, fremda, dika, veti, enz., uit Ido verbannen werden. Esperanto kent met recht aan het germaansch element wat meer invloed in de woordenlijst toe. Wanneer in bovenvermeld voorbeeld het Duitsche kavallerie ten gunste van kavalo (paard) word aangehaald, zoo kan men ook het Duitsche «Chevauxlegers» en «chevaleresk», en het Engelsch «chivalrous», ten voordeele van ĉevalo, inbrengen, welke vorm, zoo daaruit blijkt, niet alleen aan de Franschen bekend is. En zoo ĉevalo, een vervormd Fransch woord is, dan zijn de Ido woorden tuchar, chasar, chapelo, charniro, chanjar, enz., eveneens verminkte Fransche uitdrukkingen.
8. Woordafleiding.—«Ido
heeft eene klare, logische,
regelmatige woord afleiding; in Esperanto is ze dikwijls onklaar, onlogisch en onregelmatig.
Ido is daarom duidelijker, lichter verstaanbaar en gemakkelijker te handhaven.»—Als voorbeeld volgt de vertaling van den zin: Een visscher kan visschen zonder visschen te vangen. Esperanto: Fiŝkaptisto povas fiŝkapti sen kapti fiŝojn (of beter): ne kaptante fiŝojn. Ido: Peskero povas peskar sen kaptar fishi.
Wat ontbreekt er aan de Esperanto vertaling? Het woordenspel en de lichte ironie, die in ’t Nederlandsch, of in ’t Duitsch, tusschen voor en nazin bestaat, wordt, door Esperanto, veel juister weergegeven dan door Ido, waar zij verloren gaan door het bijzondere woord peskar voor visschen. Of verwijt men den vorm fiŝkapti voor visschen? Dan beschouwe men eerst de Idowoorden tronsidar (op eenen troon zitten) voor tronen, en seglirar (zegel gaan) voor zegelen. (Men bemerkte ook weder, wanneer men den Ido zin leest, den storenden zinrythmus: kaptar fishi). Daarbij kan men in Esperanto voor fiŝkapti nog fiŝreti of fiŝhoki zeggen.
Komen wij nu tot de algemeenheden. De woordafleiding in Ido zou moeten klaar, logisch en regelmatig zijn voor het princiep der reversibiliteit (weerkeerbaarheid), een princiep dat voor den eenvoudigen mensch moeilijk te verstaan, en nog moeilijker om aan te wenden is, vooral
bij het haastig wandeling gebruik; ten gevolge van dit princiep overlast Ido de omgangstaal met een te groot getal vormingslettergrepen en bekomt daardoor toch geene logische
eenheid. De grondbeginsels der noodwendigheid en der toereikendheid, door de Saussure voor Esperanto vastgesteld, zijn dan minstens even zoo logisch, en buitendien veel eenvoudiger, daar zij de
noodige vrijheid van aanwending laten, voor personen van verschillende verstandsontwikkeling.
Als voorbeeld van het voorgewende onlogische van Esperanto volgen de werkwoorden kroni, plumi, brosi, remi.
Zeggen wij vooreerst dat plumi verkeerdelijk wordt aangehaald:
pluimen is niet plumi in Esperanto, maar senplumigi.
Esperanto leidt de woorden kroni en brosi rechtstreeks van het hoofdwoord af, zooals in alle nationale talen: Duitsch krone - krönen, Fransch couronne - couronner, Italiaansch corona - coronare, Spaansch corona - coronar, Engelsch crown - to crown; eveneens bürste - bürsten, brosse -
brosser, spazzola - spazzolare, cepilo - cepilar, brush - to brush.
En met trots beroemt de opsteller zich verder over de onvoorwaardelijke regelmatigheid der woordafleiding:
«Ido daarentegen onderscheidt met juistheid....brosar per brosilo, remar per remilo.»
Indien men zich op die regelmatige woordafleiding van Ido vertrouwen wilde, zou men spoedig zijn eigen voordeel met het Ido-woordenboek in strijd zien komen. Zoo mag men niet zeggen:
| hameren met eenen hamer, | door | martelar per martelilo, |
| vijlen met eene vijl, | » | limar per limilo, |
| ziften met eene zift, | » | kriblar per kriblilo, |
| remmen met eene rem, | » | frenar per frenilo, |
maar men moet zeggen:
- martelagar per martelo,
- limagar per limo,
- frenagar per freno, enz.
En nochtans is het logisch verband tusschen al deze woordenparen hetzelfde als tusschen (riemen en riem) het Duitsch rudern en ruder; en het Fransch ramer en rame. Dat toont ons de «klare, logische en regelmatige woordafleiding» van Ido.
9. Ontwikkeling.—«Ido kan zich regelmatig en op betrouwbare wijze verder ontwikkelen, want de Ido Akademie, samengesteld uit bevoegde personen van verschillende taalgebieden, heeft tot last de taalkwesties te onderzoeken en volgens nauwkeurig bepaalde grondbeginsels op te lossen; in Esperanto daarentegen kan ieder, zelfs de meest onbekwame, volgens goeddunken nieuwe woorden invoeren en de taal voor vreemden onverstaanbaar maken.»
Ido is zeker niet meer bestand dan Esperanto tegen de mogelijkheid dat zijne aanhangers in hunne teksten verkeerde nieuwe woorden gebruiken. Maar dat zulke woorden als officieele woorden aanzien woorden, daarvoor is Esperanto zooveel als Ido gevrijwaard door zijne taal-Akademie. En dat nu de Ido-Akademie in tegenstelling
met de Esperanto-Akademie uit «bevoegde» personen bestaat, dat zou nog eerst grondig moeten
bewezen worden. Het feit dat 2 taalkundigen er deel van maken, is zeker nog geen bewijs; want de taalwetenschap heeft tot op onze dagen de mogelijkheid eener kunstmatige taal doorgaans bestreden, zelfs nog wanneer de tastbaarste bewijzen daarvoor instonden. De wereldhulptaal is een gansch nieuw terrein voor de algemeene philologie; en hierin is de niet-philoloog, die zich jarenlang praktisch en theoretisch met de zaak heeft bezig gehouden, veel meer bevoegd, vooral aangaande de vereischten van eenvoudigheid en gemakkelijkheid, dan de taalgeleerde die met wetenschap en omvattende taalkennis voorzien is.
Dat ook de Esperanto-Akademie nauwkeurige grondbeginsels heeft vastgesteld, volgens dewelke de verdere ontwikkeling der taal zich regelen moet, dat zou de opsteller van vermeld schrijven eigenlijk moeten weten. Doch wat zou het baten? De «bevoegde personen» bevinden zich volgens hem in de Ido-Akademie.
10. Standvastigheid en vooruitgang.—«Ido is de ware internationale taal, want Ido vereenigt in zich de praktische standvastigheid en den wetenschappelijken vooruitgang, terwijl Esperanto alle fouten en onvolmaaktheden behouden moet, daar op het eerste kongres geheel onbevoegde, niet gevolmachtigde en toevallige deelnemers een boek als een ontastbaar fondament verklaard hebben dat tot in zijne klaarblijkelijkste fouten, ja zelfs drukfouten, onveranderlijk blijven moet.»
Wanneer men in den eersten zin het woord «Ido» door «Esperanto» vervangt, dan wint hij veel meer aan waarheid, want de praktische standvastigheid van Ido, die eerst in den loop van dit jaar werd ingevoerd, duurt slechts zoolang dat de «bevoegde personen» der Ido-Akademie die recht houden. (En het is bekend dat deze invoering der standvastigheid in het Idistisch kamp zelf vele tegenstanders gevonden heeft). Wanneer nu deze personen, zooals het reeds gebeurde, hunne wetenschappelijke meening verder wijzigen, of wanneer nieuwe arbeidslustige personen de Akademie binnentreden, dan kan die standvastigheid der taal weer licht aan ’t wankelen gaan. Want op taalgebied kan men betrekkelijk licht bijna geheel tegenovergestelde theoriën «wetenschappelijk» verdedigen.
Zeggen dat Esperanto alle fouten en onvolmaaktheden behouden moet, is niets dan eene der onrechtzinnige beweringen, welke de Idisten voortdurend aangaande Esperanto verspreiden, en welke door de gansche ontwikkeling van Esperanto werden tegengesproken. Overigens de beoordeelaar moet verder zelfs bekennen, dat zulke «heilige onaantastbaarheid» van het Fondament niet bestaat, en dat de erkende feilen er werden uitgeschrabt. Van de praktische
noodwendigheid eener vaste bazis, van de verdere ontwikkeling van Esperanto en het samenstellen van wetenschappelijke woordenlijsten in Esperanto, schijnt de opsteller weinig te weten of te willen weten.
En hij besluit zijne «10 voordeelen» met de woorden
«Het onaantastbare fondament van Ido is 1o de eenvoudigheid der spraakleer, 2o de juistheid der woordafleiding, 3o de internationaliteit der
woordenstammen», en daarbij vergeet hij dat deze drij begrippen, eenvoudigheid, juistheid en internationaliteit, betrekkelijke begrippen zijn en verschillen volgens het beroep, de nationaliteit en de verstandsontwikkeling der personen die ze te bewaren hebben. Ido heeft dus eene wankelbare, Esperanto eene vaste bazis.
Tegenover deze 10 zoogezegde voordelen van Ido staat éen voordeel van Esperanto, dat tegen die 10 grootelijks kan opwegen, namelijk de toepassing van Esperanto op alle gebieden, in handel en nijverheid, kunst en wetenschap, bij het reizen, zoowel voor het schriftelijk als mondeling gebruik, en niet alleen in de betrekkingen tusschen wetenschappelijk ontwikkelde personen, maar ook tusschen die welke slechts een zeer eenvoudig onderricht genoten hebben. Eene uitgebreide toepassing is dan ook de ware proefsteen, voor eene zoo bij uitstek praktische zaak als eene hulptaal.