als dat haentjen crait.

Weimar. Hs. 1537. Nr. 42.—Hs. 2, 6. fehlt dat.

¶ 3, 2. pluimken, frz. plume, Federchen.

¶ Nr. 172.

Erst bezahlt und dann gezecht.

1Het wijntje dat is er zoo zoet van smaak,

het heeft er ons aan den drank gemaakt.

den eenen zal men houden, den ander zal men slaan,

wij zullen alle drie met het g’lag door gaan.

2’t Waardinnetje in de kamer quam