2Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,

Herodes de koning kwam zelve veur.

3Herodes de koning sprak met een valsch hart:

‘hoe ziet er de jongste van de drieën zoo zwart?’

4Al is hij wat zwart, hij is wel bekend,

het is er de jongste uit Orient,

5Het is er de jongste uit vreemden landen,

daar alle die sterren zoo stil staan branden.

6Wel sterre sta stil en verroer je niet meer,

het is er een teeken van god den heer.