om in ons hart een vredevuur te stichten

en ons in ’t duister te verlichten;

dat is, o heer, de rechte tijd bij nacht:

de nacht der boosheid door uw licht

verdwijnt en klaart zich, wijl het duister zwicht,

den heldren dageraad die moet verschijnen,

de donkerheid die moet verdwijnen,

wijlze uw schijnsel mijdt.

12Verlicht, o kind van Bethlehem,

ons hart en ziel, ons gansch gemoed en zinnen,