‘wie mag de bloemenmaker zijn,
zoo wijslijk in ’t ontvouwen
der edele blaadjes schoon en fijn?
mogt ik hem eens aanschouwen!
3Hoe lief heb ik hem in ’t gemoed!
wist ik hem maar te vinden,
’k verliet mijn vaders rijk en goed
en ging met mijn’ beminden!’
des middernachts stond Jesus daar
en riep: ‘o maagd, doet open!’