- De koude winter is nu verdwenen,
- 146.
- De mey, de mey, de mey,
- 137.
- De trom maakt ieder ’t hart vol moed,
- 167.
- De velden stonden groen ende daer toe breit,
- 37.
- De zon is ondergegangen,
- 106.
- De zondag is wel na mijn zin,
- 157.
- Den dach en wil niet verborghen sijn,
- 64.
- Den kreupelen zou uit vreugde ry’n,
- 51.
- Den winter is een onweert gast,
- 108.
- Des winters als het reghent,
- 53.