Hier hebt gij een trouwring van mijn,
En dien trouwring schenk ik jou.’
‘Wat zal ik met uw trouwring doen?
Wat zal ik daarmee doen?
Gij zijt een zeederloos dienstmaagd,
En ik een graaf zijn zoon:
En wat zou ik daarmee doen?’
‘Wilt gij mij dan niet hebben,
’t Is goed, daar zijn er nog meer,
Dan ga ik het klooster dienen,