Daar dien ik mijn lieven Heer

En dan ziet gij mij noit weer.’

Toen het nonnetje halver wegen2 was,

Haar vader en moeder was dood,

Daar was geen rijker nonnetje

Op zeederloos dorp zoo groot,

Ja haar vader en moeder was dood.

De ruiter sprak toen hij ’t te hooren kwam:

‘Kom, knecht, zadelt mijn paard!

Dan ga ik naar ’t klooster toe rijden,