op zijnen hals gevangen,

wel veertig vademen onder de aard

bij adderen en bij slangen.

3Zijn vader quam tot Rosenberg

al voor den toorn gegangen:

‘och zoone, liefste zoone van mijn,

hoe zwaar legt gij gevangen!’

4‘Och vader, liefste vader mijn,

zeer zwaar leg ik gevangen,

wel veertig vademen onder de aard