bij adderen en bij slangen.’
5Zijn vader wel tot de heeren sprak:
‘wilt mijn den gevangen los geven,
drie honderd goudguldens zal ik u strak
wel voor den jongeling geven.’
6‘Drie honderd goudgulden helpen u niet,
die jongeling moet sneven:
hij draagt een gouden keten ziet,
die brengt hem om zijn leven.’
7‘Dat hij een gouden keten draagt,