noch om mijn jonge leven,

maar om mijn vrou moeder die t’huis

zit in droefheid en sneven.’

13Zijn vader onder ’t geregte stond,

zijn hert dat scheen te breken:

‘och zoone, liefste zoone mijn,

uwen dood zal ik wel wreken.’

14‘Och vader, liefste vader mijn,

mijn dood en wilt niet wreken,

op dat mijn ziel niet komt in pijn,