mijn jong leven beschrijen!’

10‘Een korten tijd en laat ik u niet,

of gij mij mogt ontrinnen.

geeft mij een zijden doekjen ziet,

dat ik zijn oogen mogte verbinden!’

11‘Och mijn oogen verbind doch niet,

ik moet de wereld aanschouwen;

ik zieze nu en nimmermeer,

dies leit mijn hert in rouwen.

12Ik treur niet om mijn jonge lijf