5‘Is hij er op Zeelands douwen,

verkeert hij daar met schoone vrouwen,

zoo mag de hemel zijn leidsman zijn

met alle mooije meisjes die bij hem zijn!’

6Wat trok hij uit zijn mouwe?

een ketting rood van gouwe:

‘die wil ik u, schoon kind, schenken,

wilt op uw lief niet meer denken!’

7‘Al ware de ketting nog eens zoo lang,

dat zij van de hemel op de aarde hang,