zij nam een mes en kwetste haar borst,

en zij ging het haar vader toonen:

‘ik ben er met lazerij besmet,

komt, ziet hier voor uwe oogen!’

4‘Wel, dochter, zoudt gij lazerus zijn?

gij bent er de liefste dochter van mijn,

gij bent er zoo schoon jonkvrouwe!

al kwam er een koningszoontje om u,

hij zouje wel mogen trouwen.’

5‘O vader, laat maken een huisje koen