van distel, doornen, lelien groen,

en huurt er mij eenen gezellen,

die dagelijks mijn willetje doe

en klinke de lazerus bellen.’

6Het napje in haar regterhand

en het klapje in haar slinkerhand,

en zij ging over ’s heeren straten:

‘ach, geeft er den arme lazerus wat,

doet werk van caritaten!’

7‘Wat caritaten zou ik u doen?’—