‘ik heb er geen koussen ofte schoen
en in zeven jaar niet gedragen,
toch word ik er een mooi meisje toe
bij een fonteintje gedwagen.’
8Zij wiesch haar handen en droogde ze schoon,
en leide ze op zijn zadel ten toon.
aan haar ringen kon hij ze kennen
als dat zij hetzelfde magetje was
dat hij plagt te beminnen.
9Hij had er het schoon kind lief en waard,