en hij zette ze voor hem op het paard

en met een zoo ging hij rijden;

hij trok haar lazerus kleederen uit

en hij kleed ze in witte zijde.

10‘Adieu vader en moeder mijn,

adieu zuster en broederlijn,

adieu mijn vriendetjes allen!

ik dank den God van ’t hemelrijk,

dat de lazerij is vervallen.’

Holländisch: De Marsdrager, Amst. 1754. bl. 92. (Der arme Heinrich von Hartmann von der Aue, herausg. durch die Brüder Grimm 167–169.) “Uit een blaauwboekje” bei Le Jeune Volksz. Nr. 12.—Dr. 5, 4. doen —5, 5. klinken —7, 4. dan (toch)— er fehlt—7, 5. te wagen (gedwagen)—8, 2. en op haar zadel zat zij ten toon.