9‘Woudt gij zoo garen weten,

wie dat er mijn vader mag zijn:

den hertog van Traveerne

drinkt zoo geerne

de rijnsche koele wijn.’

10‘Den hertog van Traveerne

is dat er de vader van dijn,

zoo mag ik dan wel klagen

al mijn dagen,

gij zijt er den broeder van mijn!’