in boeijen gesloten, het doet er mijn pijn,

ik geef de moed niet verloren.’

9’s Morgens vroeg zonder respijt

men hoorde de revelje slagen,

den Zwitzer wierd buiten de poorte geleid

een uurtje voor den dagen.

10Zij bragten hem aldaar voor ’t geregt,

alwaar veel france heeren waren.

‘mijn liefje, die mijn der ook te minnen plegt,

komt mij ter dood bezwaren.