6Nu heb ik mijn booze wille volbragt,

dat valt mij, eilaas! indagtig.

ik en heb te voren niet wel gedagt,

helaas! nu valt zij klagtig.

7’s Morgens vroeg, het wierd schoon dag,

mijn kapitein kwam na mijn vragen,

toen ik der nog vaste in mijn ruste lag,

de deur wierd op geslagen.

8Nu moet ik een gevangen man zijn,

zitten op een zoo hoogen toren,