al waar ’t haar lief dan ofte leed,
ik zou haar brengen in schanden.
4Nu heb ik haar buiten in dat veld
alleenig na mijnen zin gevonden,
waar ik haar met zulke groot geweld
haar eertjen heb geschonden.
5Dat meisken viel op beî haar knien
zugten en weenen en droevig kermen.
ik hadde een herte als een steen,
ik wist van geen ontfermen.