ik en heb er geen wortelkijn.
mijn zoete lief is uit den lande,
hei! hoe zeere verlanget mijn!
3Ik en magze zien noch hooren spreken,
hei! quaa klappers die benijden dat’s mijn.
ik wou dat alle de quaa nijders
en quaa klappers waren over den Rijn!
4En ik met mijn zoete waarde liefjen
waar gesloten in een duister kamerkijn,
hoe luttelijk zoude ik vragen,