mijn moeder zouder mijn schelden,

mijn vader zou mijn slaan

en ik zou alzoo zeer geslagen worden.’

4‘Waarom zou moeder jou schelden,

waarom zou vader jou slaan?

gij hebt de geele goudroosjes

voorwaar geen leed gedaan

en gij hebt uw eertje alzoo wel gehouwen.’

5‘Ik lagger te nacht en sliep

al inne mijn zoete liefs arm,